Wetten en regels
De Arbeidstijdenwet (ATW)

Versie april 1999. Aan de artikelen zijn titels toegevoegd. Lees ook de vrijwaringsverklaring.

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begrippen werkgever en werknemer
Artikel 1.2. Begrippen kind en arbeid in verband met kinderarbeid
Artikel 1.3. Het begrip collectieve regeling.
Artikel 1.4. Gelijkstelling met collectieve regeling
Artikel 1.5. Werkingsduur van de collectieve regeling
Artikel 1.6. Het begrip medezeggenschapsorgaan
Artikel 1.7. Overige begrippen

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied
§ 1. Gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid

Artikel 2.1. Algemeen
Artikel 2.2. Rampen
Artikel 2.3. Onderwijs
Artikel 2.4. Defensie
Artikel 2.5. Overige uitsluiting toepasselijkheid
Artikel 2.6. Brandweer

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied
§ 2. Uitbreiding van de toepasselijkheid

Artikel 2.7. Zelfstandigen
Artikel 2.8. Extra-territoriale werking

Hoofdstuk 2. Toepasselijkheid.
§ 3. Bijzondere voorschriften voor vliegend, varend en rijdend personeel

Artikel 2.9 Vliegend, varend en rijdend personeel

Hoofdstuk 3. Het verbod van kinderarbeid
Artikel 3.1. Begrip verantwoordelijke persoon
Artikel 3.2. Het verbod van kinderarbeid
Artikel 3.3. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 3.4. Voorlichting
Artikel 3.5. Nadere voorschriften

Hoofdstuk 4. Algemeen.
§ 1. Algemene verplichtingen

Artikel 4.1. Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie
Artikel 4.2. Mededeling arbeids- en rusttijdenregeling
Artikel 4.3. Registratie

Hoofdstuk 4. Algemeen.
§ 2. Jeugdige werknemers

Artikel 4.4. Arbeid in verband met onderwijs

Hoofdstuk 4. Algemeen.
§ 3. Vrouwelijke werknemers

Artikel 4.5. Arbeid en zwangerschap
Artikel 4.6. Bevalling
Artikel 4.7. Arbeid na bevalling
Artikel 4.8. Voedingsrecht

Hoofdstuk 4. Algemeen.
§ 4. Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten

Artikel 4.9. Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten

Hoofdstuk 5. Arbeids- en rusttijden.
§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.1 Gelijkstelling met de zondag
Artikel 5.2. Gelijkstelling met arbeidstijd

Hoofdstuk 5. Arbeids- en rusttijden.
§ 2. Arbeids- en rusttijden

Artikel 5.3. Wekelijkse onafgebroken rusttijd
Artikel 5.4. Arbeid op zondag
Artikel 5.5. Dagelijkse onafgebroken rusttijd
Artikel 5.6. Arbeidstijd jeugd
Artikel 5.7. Arbeidstijd ouderen
Artikel 5.8. Arbeid in nachtdienst
Artikel 5.9. Arbeidstijd inclusief overwerk
Artikel 5.10. Pauzeregeling
Artikel 5.11. Consignatie

Hoofdstuk 5. Arbeids- en rusttijden.
§ 3. Bijzondere voorschriften

Artikel 5.12. algemene maatregelen van bestuur

Hoofdstuk 5. Arbeids- en rusttijden.
§ 4. Vrijstelling en ontheffing

Artikel 5.13. Vrijstelling bij collectieve regeling
Artikel 5.14. Vrijstelling bij bijzondere privé-omstandigheden

Hoofdstuk 5. Arbeids- en rusttijden.
§ 5. Samenloop

Artikel 5.15. Samenloop
Artikel 5.16. Wernemers die ook in het buitenland arbeid verrichten

Hoofdstuk 6. Medezeggenschapsaspecten
Artikel 6.1. Beraadslaging
Artikel 6.2. Informatierecht
Artikel 6.3. Vergezelrecht en recht op een onderhoud

Hoofdstuk 7. Overige bestuursrechtelijke aspecten
Artikel 7.1. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7.2. Beroep tegen beschikking
Artikel 7.3. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 7.4. Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing
Artikel 7.5. Eis tot naleving

Hoofdstuk 8.1. Toezicht
Artikel 8.1. Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren
Artikel 8.2. Legitimatiebewijs

Hoofdstuk 8. Toezicht.
§ 2. Algemene bevoegdheden

Artikel 8.3. Betreden van plaatsen
Artikel 8.4. Inlichtingen en inzage zakelijke gegevens en bescheiden
Artikel 8.5. Inzage gegevens
Artikel 8.6. Stilhouden vervoermiddelen
Artikel 8.7. Medewerkingsplicht en verschoningsrecht

Hoofdstuk 8. Toezicht.
§ 3. Het bevel tot staken van de arbeid

Artikel 8.8. Het bevel tot staken van de arbeid
Artikel 8.9. Aansprakelijkheid

Hoofdstuk 8. Toezicht.
§ 4. Geheimhouding

Artikel 8.10. Geheimhoudingsplicht toezichthoudende ambtenaren

Hoofdstuk 9. Zelfstandige bestuursorganen
Artikel 9.1. Dienst Wegverkeer

Hoofdstuk 10. Gereserveerd

Hoofdstuk 11. Strafbaarstelling en daarmee samenhangende bepalingen
Artikel 11.1. Toepasselijkheid Nederlandse strafwet
Artikel 11.2. Werknemers in dienst van een buiten Nederlandgevestigde wergever
Artikel 11.3. Economisch delict
Artikel 11.4. Strafoplegging
Artikel 11.5. Uitreiking gerechtelijke mededelingen

Hoofdstuk 12. Overgangs en slotbepalingen
Paragraaf 12.1. Artikel 12.1. t/m 12.2 Ingetrokken wetten
Paragraaf 12.2. Artikel 12.3 t/m 12.13 Wijziging regelgeving in verband met de Arbeidstijdenwet
Paragraaf 12.3. Artikel 12.14 t/m 12.19 Vervallen
Paragraaf 12.4. Artikel 12.20 t/m 12.35 Wijziging regelgeving samenhangende met de Inspectiedienst SZW
Paragraaf 12.5. Slotbepalingen
Artikel 12.36. Voordracht tot een algemene maatregel van bestuur
Artikel 12.37. Evaluatie
Artikel 12.38. Vergoeding vast die verschuldigd is voor de kosten van de stukken
Artikel 12.39. Tijdstip inwerkingtreding
Artikel 12.40. Titel van de wet

Terug naar de top van het document

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begrippen werkgever en werknemer

  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder.
    1. werkgever.

    2. 1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
      2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°;
    3. werknemer. de ander bedoeld onder a.
  2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder.
    1. werkgever. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
    2. werknemer. de ander bedoeld onder a.
  3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder jeugdige werknemer verstaan. een werknemer van 16 of 17 jaar.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 1.2. Begrippen kind en arbeid in verband met kinderarbeid

  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind. een persoon jonger dan 16 jaar.
  2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder arbeid. de verrichtingen van een kind ter naleving van een overeenkomst.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 1.3. Het begrip collectieve regeling

  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder collectieve regeling.
    1. een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;
    2. een rechtspositieregeling van werknemers in dienst van de overheid alsmede een overeenkomstige rechtspositieregeling van werknemers, werkzaam in instellingen van bijzonder onderwijs of wetenschappelijk onderzoek;
    3. een verordening als bedoeld in de artikelen 16, derde lid, 86, derde lid, en 93, tweede lid, onder j, van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
  2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder collectieve regeling.
    1. een besluit als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten waarbij bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst algemeen verbindend zijn verklaard;
    2. een regeling als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Wet op de loonvorming.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 1.4. Gelijkstelling met collectieve regeling

  1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met een collectieve regeling als bedoeld in artikel 1.3 gelijkgesteld een regeling waaromtrent de werkgever schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging.
  2. Indien een collectieve regeling als bedoeld in artikel 1.3 van toepassing is en geen bepaling terzake van één van de in de onderdelen a of b gegeven onderwerpen bevat, geldt de in het eerste lid bedoelde gelijkstelling niet ten aanzien van.
    1. de rusttijd en de pauze;
    2. de arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst.
  3. Indien zowel een regeling als bedoeld in het eerste lid, als een collectieve regeling als bedoeld in artikel 1.3 gelden, zijn de in die regelingen gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen in de collectieve regeling, bedoeld in artikel 1.3, van toepassing.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 1.5. Werkingsduur van de collectieve regeling

  1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geldt een collectieve regeling als bedoeld in de artikelen 1.3, eerste lid, en 1.4, eerste lid, gedurende 5 jaren, te rekenen van het tijdstip waarop die regeling ingaat. Bij wijziging van de in de eerste volzin bedoelde collectieve regeling binnen 5 jaren na inwerkingtreding, wordt het in de eerste volzin bedoelde tijdvak beëindigd op het tijdstip van inwerkingtreding van de gewijzigde collectieve regeling.
  2. Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op de collectieve regeling als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, met dien verstande dat.
    1. bij de inwerkingtreding van een overeenkomstige nieuwe collectieve regeling binnen 5 jaren na inwerkingtreding van de in de aanhef bedoelde collectieve regeling, het in de eerste volzin van het eerste lid bedoelde tijdvak wordt beëindigd;
    2. deze regeling te allen tijde eindigt op het tijdstip, dat er geen overeenkomstige collectieve regeling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, geldt op grond van het eerste lid, eerste volzin.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 1.6. Het begrip medezeggenschapsorgaan

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder medezeggenschapsorgaan.
  1. de ondernemingsraad, ingesteld overeenkomstig de Wet op de ondernemingsraden;
  2. een overlegorgaan als bedoeld in het Algemeen militair ambtenarenreglement en in het Reglement rechtstoestand dienstplichtige militairen, alsmede een dienstcommissie als bedoeld in het Burgerlijk anambtenarenreglement defensie;
  3. de dienstcommissie, het uit en door het personeel gekozen deel van de medezeggenschapsraad en de personeelsraad, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  4. het uit en door het personeel gekozen deel van de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992;
  5. een medezeggenschapsregeling voor de in artikel 53b van de Wet op de ondernemingsraden bedoelde ambtenaren;
  6. het orgaan van overleg, bedoeld in artikel 24 van de Wet Sociale Werkvoorziening.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 1.7. Overige begrippen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder.

  1. Onze Minister. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  2. defensiepersoneel.
    1. 1°. de in actieve dienst zijnde militaire ambtenaren in de zin van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
      2°. de als zodanig feitelijk onder de wapenen zijnde dienstplichtigen in de zin van artikel 1, onder b, sub 1 en 2, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen;
      3°. het burgerpersoneel, werkzaam bij het ministerie van Defensie;
  3. dienst. een aaneengesloten tijdruimte waarin arbeid wordt verricht en die gelegen is tussen twee bij deze wet en de daarop berustende bepalingen voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;
  4. nachtdienst. een dienst waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen;
  5. pauze. een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten, waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de werknemer geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen arbeid;
  6. Dienst Wegverkeer. de dienst, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994;
  7. personeelsvertegenwoordiging. een vertegenwoordiging van werknemers in ondernemingen met minder dan 35 werknemers, bestaande uit ten minste 3 personen die rechtstreeks gekozen zijn door en uit het midden van de werknemers die voor de werkgever in zijn onderneming arbeid verrichten. De artikelen 31, eerste lid, en 35a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de ondernemingsraden zijn van overeenkomstige toepassing.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied. 1. Gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid

Artikel 2.1. Algemeen

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op bij die maatregel omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden.
  2. Het geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn van deze wet en de daarop berustende bepalingen, bepaald bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan afhankelijk worden gesteld van voorwaarden.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 2.2. Rampen

  1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid verricht in verband met.
    1. een ramp als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Rampenwet;
    2. een scheepsramp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet;
    3. een ramp of ongeval als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Marine-scheepsongevallenwet;
    4. een ongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee;
    5. een ramp als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Binnenvaartrampenwet;
    6. een ongeval als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Luchtvaartongevallenwet;
    7. aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder a tot en met f.
  2. Het eerste lid geldt slechts voor zover de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede uitoefening van de in dat lid bedoelde arbeid belemmert.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 2.3. Onderwijs

Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op verrichtingen van leerlingen of studenten in onderwijsinstellingen of gedeelten daarvan, open ruimten daaronder begrepen.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 2.4. Defensie
 

  1. 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder oefening. elk door defensiepersoneel onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verkrijgen of te onderhouden.
  2. 2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel, tenzij deze arbeid wordt verricht.
    1. ten tijde van buitengewone omstandigheden , alsmede in de gevallen genoemd in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht;
    2. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
    3. in door Onze Minister van Defensie te bepalen andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
    4. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden bedoeld onder a, b en c.
  3. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 4.3, niet van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel.
    1. tijdens varen en oefeningen;
    2. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het varen en het houden van oefeningen.Toezichthoudende en (bijzondere) opsporingsdiensten
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 2.5. Overige uitsluiting toepasselijkheid

Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op arbeid verricht door personeel in burgerlijke openbare dienst, tenzij de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede uitoefening van de bij wet en de daarop berustende bepalingen gegeven taken, dan wel het handhaven van de rechtsorde en het opsporen van strafbare feiten door dit personeel belemmert.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 2.6. Brandweer

Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op arbeid verricht door brandweerpersoneel, tenzij dit personeel repressief optreedt bij brand en ongevallen.

Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied. 2. Uitbreiding van de toepasselijkheid

Artikel 2.7. Zelfstandigen
 

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat voor de bij die maatregel en de daarop berustende bepalingen omschreven arbeid of arbeid onder daarbij omschreven omstandigheden, deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk mede moeten worden nageleefd door een persoon die, zonder werkgever of werknemer te zijn in de zin van deze wet, deze arbeid verricht, indien zulks noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen.
  2. Artikel 2.8., onderdelen b en c, is van overeenkomstige toepassing.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 2.8. Extra-territoriale werking

Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing.

  1. op arbeid verricht op of vanaf een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat als bedoeld in de Mijnwet continenetaal plat;
  2. op arbeid welke geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren;
  3. op arbeid, welke voor een in Nederland gevestigde werkgever, geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam.
    1. 1°. aan boord van luchtvaartuigen;
      2°. in of op motorrijtuigen.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 2. Toepasselijkheid. 3. Bijzondere voorschriften voor vliegend, varend en rijdend personeel

Artikel 2.9. Vliegend, varend en rijdend personeel

  1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid verricht aan boord van een zeeschip, dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt in de territoriale zee, op een van de andere in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartwegen, of in de haven van Scheveningen, door personen die behoren tot de bemanning van dat zeeschip.
  2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, welke voor een buiten Nederland gevestigde werkgever, wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van een luchtvaartuig dat zich in het Nederlandse luchtruim of op het Nederlandse territoir bevindt.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 3. Het verbod van kinderarbeid

Artikel 3.1. Begrip verantwoordelijke persoon

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder verantwoordelijke persoon verstaan.

  1. de werkgever;
  2. een ieder, die over een kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding een kind is opgenomen.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 3.2. Het verbod van kinderarbeid

  1. De verantwoordelijke persoon zorgt er voor, dat een kind geen arbeid verricht.
  2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verrichten van
    1. arbeid in het kader van een alternatieve sanctie door een kind van 12 jaar of ouder, voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd;
    2. niet-industriële arbeid van lichte aard door een kind van 13 jaar of ouder, voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd;
    3. arbeid van lichte aard door een kind van 14 jaar of ouder voor zover deze arbeid verricht wordt naast en in samenhang met het onderwijs;
    4. arbeid bestaande uit het bezorgen van ochtendkranten door een kind van 15 jaar, voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd.
  3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid.
  4. De verantwoordelijke persoon leeft de nadere regels, bedoeld in het derde lid na.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 3.3. Vrijstelling en ontheffing

  1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 3.2, eerste lid, voor door hem aangewezen soorten van industriële arbeid van lichte aard, te verrichten door kinderen van 13 jaar of ouder, voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd.
  2. Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, kan ontheffing verlenen van artikel 3.2, eerste lid, ten aanzien van het door een kind verrichten van arbeid, bestaande uit het verlenen van medewerking aan uitvoeringen van culturele, wetenschappelijke, opvoedkundige of artistieke aard, aan modeshows, aan audio-, visuele of audio-visuele opnamen en daarmee vergelijkbare niet-industriële arbeid van lichte aard. Een verzoek om ontheffing wordt gedaan door de werkgever.
  3. De verantwoordelijke persoon leeft de voorschriften verbonden aan de vrijstelling na.
  4. De werkgever leeft de voorschriften verbonden aan de ontheffing na.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 3.4. Voorlichting

De werkgever zorgt ervoor dat een ieder, die over een kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding een kind is opgenomen, doeltreffend wordt ingelicht over de aard van de arbeid en de daaraan verbonden mogelijke gevaren en over de maatregelen die er op gericht zijn deze gevaren te voorkomen of te beperken.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 3.5. Nadere voorschriften
 

  1. Bij de in artikel 3.2., tweede lid, toegestane arbeid neemt de verantwoordelijke persoon te allen tijde in acht, dat bij de aldaar toegestane arbeid, de veiligheid van het kind niet in gevaar komt, noch arbeid wordt verricht welke een nadelige invloed kan uitoefenen op de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van dat kind.
  2. Bij het stellen van de nadere regels, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, en het verlenen van een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing als bedoeld in artikel 3.3 wordt te allen tijde in acht genomen, dat bij de aldaar toegestane arbeid, de veiligheid van het kind niet in gevaar komt, noch arbeid wordt verricht welke een nadelige invloed kan uitoefenen op de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van dat kind.
  3. Bij het stellen van de nadere regels, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, en het verlenen van een vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing als bedoeld in artikel 3.3 wordt te allen tijde in acht genomen, dat een kind een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in iedere periode van 24 achtereenvolgende uren, waarin de periode tussen hetzij 22.00 uur en 06.00 uur, hetzij 23.00 uur en 07.00 uur begrepen is.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 4. Algemeen.  1. Algemene verplichtingen

Artikel 4.1. Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie
 

  1. Bij het voeren van zijn algemeen ondernemingsbeleid richt de werkgever dit beleid, mede met het oog op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid, op de arbeids- en rusttijden van de werknemers. Daarbij houdt hij, voor zover dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden, rekening met de persoonlijke omstandigheden van die werknemers. Het beleid terzake van arbeids- en rusttijden wordt op een zelfde wijze en integraal met het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet gevoerd.
  2. De uit het in het eerste lid bedoelde beleid voortvloeiende arbeidstijdpatronen worden door de werkgever schriftelijk vastgelegd. De werkgever bewaart de op deze wijze vastgelegde arbeidstijdpatronen op een zodanige wijze, dat iedere werknemer de mogelijkheid heeft hiervan desgewenst kennis te nemen.
  3. De werkgever toetst de tot stand gekomen arbeidstijdpatronen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan, alsmede hoe deze ervaringen zich verhouden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de organisatie van arbeids- en rusttijden. Indien daartoe aanleiding is, vindt bijstelling van het beleid, bedoeld in het eerste lid, en de daarop gebaseerde arbeidstijdpatronen plaats.
  4. Artikel 4, derde tot en met achtste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is van overeenkomstige toepassing.
  5. Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1 kan, indien de in dit artikel neergelegde verplichtingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, een eis tot naleving stellen. Deze eis tot naleving bevat de termijn waarbinnen er aan wordt voldaan.
  6. De werkgever voldoet aan de eis tot naleving.
  7. De werking van de eis tot naleving, bedoeld in het vijfde lid, wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is verstreken of, indien een bezwaar- of beroepschrift is ingediend, op het bezwaar of beroep is beslist.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 4.2. Mededeling arbeids- en rusttijdenregeling
 

  1. De werkgever die een arbeidstijdpatroon voor de bij hem werkzame werknemer vaststelt of opnieuw vaststelt, deelt dit arbeidstijdpatroon ten minste 28 dagen van te voren aan die werknemer mede.
  2. Indien de aard van de arbeid toepassing van het eerste lid onmogelijk maakt, deelt de werkgever ten minste 28 dagen van te voren aan de werknemer mede op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 5.3 en 5.4, aanvangt. Tevens maakt hij aan die werknemer ten minste 4 dagen van te voren de tijdstippen bekend waarop hij arbeid moet verrichten.
  3. Van het eerste en tweede lid kan uitsluitend bij collectieve regeling of, indien geen collectieve regeling van toepassing is dan wel de collectieve regeling geen bepalingen terzake bevat, telkens met instemming van de betrokken werknemer worden afgeweken.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 4.3. Registratie

  1. Een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.
  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld welke aangeven op welke wijze aan de in het eerste lid neergelegde verplichting wordt voldaan. Deze regels kunnen voor verschillende sectoren verschillend worden gesteld.
  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de werknemer de hem terzake van een deugdelijke registratie beschikbaar gestelde middelen gebruikt.
  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het bewaren van de gegevens en bescheiden met betrekking tot de in dit artikel neergelegde registratieverplichting.
  5. Indien de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, betrekking heeft op de in artikel 5.12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid, wordt de voordracht van die algemene maatregel van bestuur Ons Gedaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 4. Algemeen. 2. Jeugdige werknemers

Artikel 4.4. Arbeid in verband met onderwijs
 

  1. De arbeid van een jeugdige werknemer wordt zodanig ingericht, dat hij in staat is volgens de voor hem geldende wetgeving onderwijs te volgen.Voor de toepassing van hoofdstuk 5 en de daarop berustende bepalingen, geldt de tijd waarop een jeugdige werknemer onderwijs volgt of pleegt te volgen, de onderbrekingen inbegrepen, als arbeidstijd.
  2. Elk beding waarbij ten nadele van de jeugdige werknemer wordt afgeweken van dit artikel, is nietig.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 4. Algemeen.  3. Vrouwelijke werknemers

Artikel 4.5. Arbeid en zwangerschap

  1. De arbeid van een zwangere werknemer wordt zodanig ingericht, dat rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. De werkgever voldoet, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid, aan de voor hem uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting binnen een redelijke termijn nadat een verzoek daartoe door de zwangere werknemer is gedaan. Bij dit verzoek wordt desgevraagd een schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een verloskundige waaruit blijkt, dat de betrokken werknemer zwanger is.
  2. De zwangere werknemer heeft het recht de arbeid af te wisselen met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 5.10 of de bij of krachtens artikel 5.12 voorgeschreven pauzes. Deze extra pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten en ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende arbeidstijd per dienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als arbeidstijd.
  3. De zwangere werknemer heeft het recht arbeid te verrichten in een bestendig en regelmatig arbeids- en rusttijdenpatroon.
  4. De zwangere werknemer kan niet verplicht worden arbeid te verrichten anders dan op grond van de artikelen 5.6 en 5.7 of de bij of krachtens artikel 5.12 gestelde regels ten aanzien van de arbeidstijd is toegestaan.
  5. De zwangere werknemer kan niet verplicht worden arbeid te verrichten in nachtdienst, tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
  6. De werkgever stelt de zwangere werknemer in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. Zij behoudt haar aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon, indien zij door het bedoelde zwangerschapsonderzoek verhinderd is geweest haar arbeid te verrichten.
  7. Elk beding waarbij ten nadele van de zwangere werknemer wordt afgeweken van het eerste tot en met zesde lid, is nietig.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 4.6. Bevalling

De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een vrouwelijke werknemer.

  1. geen arbeid verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de vrouwelijke werknemer aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een geneeskundige of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak, dat verloopt tussen de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;
  2. geen arbeid verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 4.7. Arbeid na bevalling

Artikel 4.5, met uitzondering van het zesde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een vrouwelijke werknemer gedurende een periode van 6 maanden na de bevalling.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 4.8. Voedingsrecht

  1. Een vrouwelijke werknemer, die een borstkind voedt, heeft, indien zij de werkgever hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende de eerste 9 levensmaanden van dat kind het recht de arbeid te onderbreken ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De werkgever biedt haar daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter beschikking.
  2. De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidstijd per dienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke werknemer na overleg met de werkgever.
  3. De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als arbeidstijd, waarover de vrouwelijke werknemer haar aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon behoudt. 
  4. Elk beding waarbij ten nadele van de vrouwelijke werknemer wordt afgeweken van dit artikel, is nietig.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 4. Algemeen. 4. Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten

Artikel 4.9. Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten

  1. Indien uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat de gezondheidsproblemen van een werknemer voortvloeien uit het verrichten van nachtdiensten, wordt de arbeid van die werknemer binnen redelijke termijn zodanig ingericht, dat hij arbeid verricht anders dan in nachtdienst. Elk beding waarbij wordt afgeweken van dit lid, is nietig.
  2. De werkgever voldoet aan de voor hem uit het eerste lid voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt, dat de in dat lid bedoelde inrichting van de arbeid redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen. 1. Arbeids- en rusttijden

Artikel 5.1 Gelijkstelling met de zondag

  1. Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen vinden ten aanzien van de zondag voor werknemers, die in verband met hun godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag vieren, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag, indien die werknemers een daartoe strekkend schriftelijk verzoek tot de werkgever hebben gericht.
  2. Elk beding waarbij wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.2. Gelijkstelling met arbeidstijd

  1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, worden voor het bepalen van het aantal uren dat arbeid wordt verricht meegeteld de uren waarop de werknemer de bedongen arbeid zou hebben verricht, maar deze door de uitoefening van zijn taak in het kader van het medezeggenschapsorgaan, de personeelsvertegenwoordiging, ziekte, vakantie, de vervulling van door wet of overheid opgelegde verplichting, welke niet in zijn vrije tijd kon geschieden, of als gevolg van zeer bijzondere omstandigheden, bedoeld in Boek 7 Artikel 629, derde en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, niet heeft verricht.
  2. Elk beding waarbij wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen. 2. Arbeids- en rusttijden

Artikel 5.3. Wekelijkse onafgebroken rusttijd

  1. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de jeugdige werknemer een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.
  2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van 18 jaar of ouder een onafgebroken rusttijd heeft van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.
  3. De in het eerste en tweede lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer arbeid verricht.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.4. Arbeid op zondag

  1. De werkne mer verricht op zondag geen arbeid, behalve voor zover het tegendeel is bedongen en uit de aard van de arbeid voortvloeit. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige volzin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. De werknemer verricht in ieder geval op ten minste 4 zondagen in elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen arbeid.
  2. Van het eerste lid, derde volzin, kan, met inachtneming van het derde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, derde volzin, is nietig.
  3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer op ten minste 13 zondagen in elke periode van 52 achtereenvolgende weken geen arbeid verricht.
  4. Indien een jeugdige werknemer op zondag arbeid verricht, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat hij op de dag voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.5. Dagelijkse onafgebroken rusttijd

  1. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de jeugdige werknemer een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, waarin de periode tussen hetzij 22.00 uur en 06.00 uur, hetzij 23.00 uur en 07.00 uur begrepen is.
  2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van 18 jaar of ouder een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren. De in de vorige volzin bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer arbeid verricht.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.6, Arbeidstijd jeugd

De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de jeugdige werknemer ten hoogste 9 uren per dienst, 45 uren per week en in elke periode van 4 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.7. Arbeidstijd ouderen

  1. De werknemer van 18 jaar of ouder verricht ten hoogste 9 uren per dienst, 45 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid.
  2. Van het eerste lid kan, met inachtneming van het derde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
  3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 10 uren per dienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 45 uren per week arbeid verricht.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.8. Arbeid in nachtdienst

  1. Met inachtneming van artikel 5.7, eerste lid, geldt ten aanzien van de werknemer van 18 jaar of ouder, die arbeid verricht in nachtdienst, dat hij.
    1. ten hoogste 8 uren per nachtdienst arbeid verricht;
    2. in elke periode van 4 achtereenvolgende weken.
      1. 1°.indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur. ten hoogste 16 maal arbeid in nachtdienst verricht;
        2°. in andere gevallen. ten hoogste 10 maal arbeid in nachtdienst verricht, waarbij in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 25 maal arbeid in nachtdienst wordt verricht;
    3. na het verrichten van arbeid in nachtdienst, welke arbeid eindigt ná  02.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren;
    4. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 48 uren.
      1. 1°. indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 maal achtereen arbeid te hebben verricht in nachtdienst;
        2°. in andere gevallen. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 maal achtereen arbeid te hebben verricht in nachtdienst.
  2. Van het eerste lid kan, met inachtneming van het derde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig.
  3. Met inachtneming van artikel 5.7, derde lid, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat een werknemer van 18 jaar of ouder die arbeid verricht in nachtdienst.
    1. ten hoogste 9 uren per nachtdienst en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht;
    2. in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
      1. 1°. indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur. niet meer dan ten hoogste 52 maal arbeid in nachtdienst verricht;
        2°. in andere gevallen. niet meer dan ten hoogste 28 maal arbeid in nachtdienst verricht;
    3. na het verrichten van arbeid in nachtdienst, welke arbeid eindigt ná  02.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden bekort tot ten minste 8 uren;
    4. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen arbeid te hebben verricht in nachtdienst, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 48 uren.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.9. Arbeidstijd inclusief overwerk

  1. Van de artikelen 5.7 en 5.8 kan, uitsluitend ten aanzien van de arbeidstijd, worden afgeweken, indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet-periodiek, voordoet, of de aard van de arbeid, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt. In dat geval verricht de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 11 uren per dienst, 54 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 45 uren per week arbeid. Indien die arbeid geheel of gedeeltelijk wordt verricht in nachtdienst, geldt, onverminderd hetgeen in de vorige volzin is bepaald, dat de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 9 uren per nachtdienst en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht. Op de afwijking, bedoeld in de eerste volzin, zijn de artikelen 5.8, eerste lid, onderdeel b, en 5.10, derde lid, onderdelen b en c, en vijfde lid, niet van toepassing.
  2. Van het eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, kan, met inachtneming van het derde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, tweede tot en met vierde volzin, is nietig.
  3. Met inachtneming van het eerste lid, eerste volzin, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 12 uren per dienst, 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld ten hoogste 48 uren per week arbeid verricht. Indien die arbeid geheel of gedeeltelijk wordt verricht in nachtdienst, geldt onverminderd hetgeen in de vorige volzin is bepaald, dat de werknemer van 18 jaar of ouder ten hoogste 10 uren per nachtdienst en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht. Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, is artikel 5.8, eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.10. Pauzeregeling

  1. De arbeid van een jeugdige werknemer wordt, indien hij meer dan 4,5 uur arbeid per dienst verricht, afgewisseld door een pauze.
  2. De arbeid van een werknemer van 18 jaar of ouder wordt, indien hij meer dan 5,5 uur arbeid per dienst verricht, afgewisseld door een pauze.
  3. Met inachtneming van het eerste en tweede lid wordt de arbeid van een werknemer.
    1. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
    2. indien hij meer dan 8 uren, doch niet meer dan 10 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten;
    3. indien hij meer dan 10 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.
  4. Eén van de pauzes, bedoeld in het derde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.
  5. De pauzes, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de arbeid.
  6. Van het derde tot en met vijfde lid kan, met inachtneming van het zevende lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde tot en met vijfde lid, is nietig.
  7. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de in het eerste en tweede lid bedoelde pauze ten minste een half uur aaneengesloten bedraagt, welke mag worden gesplitst in twee pauzes.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.11. Consignatie

  1. Onder consignatie wordt in dit artikel verstaan. een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.
  2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de consignatie uitsluitend een werknemer van 18 jaar of ouder wordt opgelegd.
  3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer. a.ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken geen consignatie wordt opgelegd;
    1. tijdens de bij deze wet en de daarop berustende bepalingen voorgeschreven onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan een nachtdienst en direct volgend op een nachtdienst geen consignatie wordt opgelegd;
    2. ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en 60 uren per week arbeid verricht;
    3. ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken arbeid verricht.
  4. Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, organiseert de werkgever in afwijking van het derde lid, onderdeel d, de arbeid zodanig, dat de werknemer ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken arbeid verricht.
  5. Voor de toepassing van het derde en vierde lid vangt de arbeidstijd aan op het moment van oproep als bedoeld in het eerste lid. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeidstijd die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid, opnieuw een dergelijke oproep wordt gedaan, is de tussenliggende tijd arbeidstijd. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep als bedoeld in het eerste lid wordt verricht, wordt de arbeidstijd geacht ten minste een half uur te bedragen.
  6. De arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid wordt voor de toepassing van de artikelen 5.3, 5.5, tweede lid, 5.8, eerste lid, onderdelen c en d, en derde lid, onderdelen c en d, en 5.10, tweede en zevende lid, alsmede van de voorschriften krachtens artikel 5.12 ten aanzien van de rusttijd en de pauze, buiten beschouwing gelaten.
  7. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid, is artikel 5.8, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, niet van toepassing.
Terug naar de inhoudsopgave
 

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen. 3. Bijzondere voorschriften

Artikel 5.12. algemene maatregelen van bestuur

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde arbeid of arbeid onder bepaalde omstandigheden die afwijken van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van.
    1. de rusttijd;
    2. arbeid op zondag;
    3. de arbeidstijd;
    4. de referentieperiode, waarover de gemiddelde arbeidstijd wordt berekend;
    5. de pauze;
    6. arbeid in nachtdienst;
    7. de consignatie.
  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met uitzondering van arbeid verricht door defensiepersoneel, regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid verricht door.
    1. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen;
    2. personen, werkzaam aan boord van luchtvaartuigen, zee- of binnenschepen;
    3. loodsen.
  3. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen. 4. Vrijstelling en ontheffing

Artikel 5.13. Vrijstelling bij collectieve regeling

  1.  Onze Minister kan, op verzoek van partijen bij een collectieve regeling en indien daartoe gegronde redenen aanwezig zijn, vrijstelling verlenen van paragraaf 5.2 van de wet, mits het een bestendig en regelmatig arbeidstijdpatroon betreft dat niet ongunstiger is dan een arbeidstijdpatroon dat voldoet aan de in die paragraaf gegeven voorschriften.
  2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat geen arbeid wordt verricht in strijd met de in het eerste lid bedoelde regeling en de daarbij gegeven voorschriften.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.14. Vrijstelling bij bijzondere privé-omstandigheden

  1. Onze Minister kan, indien er zich een situatie voordoet die niet gelegen is in functiegebonden omstandigheden van de werknemer van 18 jaar of ouder, maar die voortvloeit uit zeer bijzondere sociaal-maatschappelijke privé-omstandigheden van die werknemer, op verzoek van die werknemer ontheffing verlenen van artikel 5.8, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, mits het een bestendig en regelmatig arbeidstijdpatroon betreft waarbij die werknemer in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste 20 maal arbeid verricht in nachtdienst.
  2. De in het eerste lid bedoelde werknemer legt de ontheffing of een afschrift daarvan over aan zijn werkgever.
  3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat die werknemer geen arbeid verricht in strijd met de in het eerste lid bedoelde ontheffing en de daarbij gegeven voorschriften.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen. 5 Samenloop

Artikel 5.15. Samenloop

  1.  Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke voortvloeien uit de op artikel 5.12, tweede lid, of artikel 5.12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen of paragraaf 5.2, geldt elk van die regels op de onderscheiden categorieën van arbeid.
  2. Indien een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke hetzij voortvloeien uit de op artikel 8.1, tweede lid, berustende bepalingen, hetzij voortvloeien uit paragraaf 5.2 en de op artikel 5.12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing zijn, en waarbij één van die regels op ten minste driekwart van de arbeid tijdens die dienst van toepassing is met een minimum van ten minste 1 uur, geldt uitsluitend die regel gedurende die gehele dienst.
  3. Indien het tweede lid niet van toepassing is en een werknemer tijdens een dienst arbeid verricht waarop meerdere regels, welke hetzij voortvloeien uit de op artikel 8.1, tweede lid, berustende bepalingen, hetzij voortvloeien uit paragraaf 5.2 en de op artikel 5.12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepalingen, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing zijn, en waarbij twee of meer van die regels elk ten minste 1 uur tijdens het verrichten van die arbeid van toepassing zijn, geldt.
    1. indien het een jeugdige werknemer betreft, dat hij tijdens die dienst ten hoogste 9 uren arbeid verricht en hij na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren,
    2. indien het een werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat hij tijdens die dienst ten hoogste 10 uren arbeid verricht en hij na die dienst een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren.
  4. Indien een werknemer arbeid verricht in een dienst waarop een regel, welke voortvloeit uit een op artikel 8.1, tweede lid, of artikel 5.12, eerste lid, en paragraaf 5.4 berustende bepaling, of paragraaf 5.2, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing is en deze dienst wordt gevolgd door een dienst waarop een andere regel, welke voortvloeit uit een op artikel 5.12, tweede lid, of de paragrafen 5.3 en 5.4 berustende bepaling, of paragraaf 5.4, ten aanzien van dezelfde arbeid van toepassing is, geldt.
    1. indien het een jeugdige werknemer betreft, dat hij tussen deze 2 diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren,
    2. indien het een werknemer van 18 jaar of ouder betreft, dat hij tussen deze 2 diensten een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren.
  5. De werknemer die bij meer dan één werkgever arbeid verricht, verstrekt aan ieder van die werkgevers uit eigen beweging tijdig de voor de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen nodige inlichtingen betreffende zijn arbeid.
  6. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen arbeid verricht in strijd met dit artikel.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 5.16. Werknemers die ook in het buitenland arbeid verrichten

  1. Indien een werknemer naast het verrichten van arbeid in Nederland tevens buiten Nederland arbeid verricht, zorgt de in Nederland gevestigde werkgever ervoor, dat die werknemer geen arbeid verricht in strijd met deze wet en de daarop berustende bepalingen.
  2. De werknemer, bedoeld in het eerste lid, verstrekt aan de in Nederland gevestigde werkgever uit eigen beweging tijdig de voor de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen nodige inlichtingen betreffende zijn arbeid.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 6. Medezeggenschapsaspecten

Artikel 6.1. Beraadslaging

De werkgever die een arbeidstijdpatroon vaststelt, wijzigt of intrekt, bespreekt dit bij het ontbreken van een medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, de personeelsvertegenwoordiging vooraf met de belanghebbende werknemers.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 6.2. Informatierecht

  1. De werkgever brengt binnen 7 dagen de inhoud van een verzoek om ontheffing of van een op andere wijze dan schriftelijk gegeven bevel tot het staken van de arbeid alsmede van een beschikking bij gedagtekend schrijven ter kennis van het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, van de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.
  2. De in het eerste lid bedoelde termijn van 7 dagen vangt aan op de dag volgend op die waarop het verzoek om ontheffing is ingediend of het op een andere wijze dan schriftelijk gegeven bevel tot het staken van de arbeid is gegeven of de beschikking aan de werkgever bekend is gemaakt.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 6.3. Vergezelrecht en recht op een onderhoud

De werkgever stelt de leden van een medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, de personeelsvertegenwoordiging in verband met hun taak inzake arbeids- en rusttijden in de gelegenheid

  1. a. om de toezichthoudende ambtenaren tijdens hun bezoek te vergezellen, behoudens voor zover deze laatstbedoelden te kennen geven, dat daartegen vanwege een goede uitoefening van hun taak bezwaren bestaan, alsmede
  2. b. om zich buiten tegenwoordigheid van anderen met deze ambtenaren te onderhou- den.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 7. Overige bestuursrechtelijke aspecten

Artikel 7.1. Algemene wet bestuursrecht

Voor deze wet en de daarop berustende bepalingen treden voor de toepassing van de afdelingen 3.6. en 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht een medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, de personeelsvertegenwoordiging in de plaats van de belanghebbende werknemers, tenzij het een beschikking betreft die zich richt tot een nader aangeduide werknemer.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 7.2. Beroep tegen beschikking

Tegen een beschikking van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, inzake een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, tweede lid, en 5.14, eerste lid, inzake een eis tot naleving als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, alsmede inzake een bevel tot het staken van de arbeid als bedoeld in artikel 8.8, eerste en tweede lid, kan beroep worden ingesteld bij Onze Minister.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 7.3. Vrijstelling en ontheffing

Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, en 4.3, tweede tot en met vierde lid, en 5.12, tweede lid, kan aan Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tezamen of aan één van beiden de bevoegdheid worden toegekend omtrent het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 7.4. Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing

  1. Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
  2. Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
  3. Een vrijstelling of ontheffing kan worden ingetrokken, wanneer.
    1. één of meer van de redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;
    2. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden hebben voorgedaan dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of de ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
  4. Een ontheffing kan tevens worden ingetrokken, wanneer één of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden nageleefd.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 7.5. Eis tot naleving

Bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, 4.3, tweede tot en met vierde lid, en 5.12, eerste en tweede lid, kan aan Onze Minister of aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de bevoegdheid worden toegekend omtrent het stellen van een tot naleving.

Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 8.1. Toezicht

Artikel 8.1. Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren

  1. Onze Minister wijst onder hem ressorterende ambtenaren aan die namens hem zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
  2. Onze Minister kan met betrekking tot door hem aangewezen categorieën van arbeid het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen opdragen of mede opdragen aan andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Indien de opdracht wordt verleend aan ambtenaren ressorterende onder het ministerie van een andere dan Onze Minister, wordt het besluit tot aanwijzing van de ambtenaren die deze opdracht wordt verleend, genomen door Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat tezamen. 
  3. In afwijking van het tweede lid wordt het aldaar bedoelde besluit, voor zover het de in artikel 5.12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft, genomen door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 8.2. Legitimatiebewijs

  1. Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthoudende ambtenaren een legitimatiebewijs bij zich.
  2. Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden tonen zij hun legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
  3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthoudende ambtenaar en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 8.Toezicht. 2 Algemene bevoegdheden

Artikel 8.3. Betreden van plaatsen

  1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
  2. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
  3. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen, voor zover dit voor het doel van het betreden redelijkerwijs nodig is.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 8.4. Inlichtingen en inzage zakelijke gegevens en bescheiden

  1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd inlichtingen te verlangen, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
  2. Desverlangd worden deze inlichtingen schriftelijk binnen een door hen gestelde termijn verstrekt.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 8.5. Inzage gegevens

  1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd inzage te verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden, waarvan de inzage voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
  2. Zij zijn bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
  3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 8.6. Stilhouden vervoermiddelen

  1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd een vervoermiddel te doen stilhouden en naar een door hen aangewezen plaats te doen brengen, en te beletten dat het vervoermiddel vertrekt, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is. De eerste volzin is niet van toepassing op luchtvaartuigen.
  2. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te verlangen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe zij een toezichthoudende taak hebben, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 8.7. Medewerkingsplicht en verschoningsrecht

  1. Een ieder is verplicht aan de toezichthoudende ambtenaren alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs nodig hebben bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
  2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 8. Toezicht. 3. Het bevel tot staken van de arbeid

Artikel 8.8. Het bevel tot staken van de arbeid

  1. Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1 kan bevelen, dat, indien artikel 3.2, eerste lid, naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden, een kind de arbeid staakt.
  2. Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1 kan bevelen, dat, indien arbeid wordt verricht welke naar zijn oordeel in ernstige mate in strijd is met de bij deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven regels inzake arbeids- en rusttijden, voor zover aangeduid als strafbare feiten, een kind, de werknemer of een persoon als bedoeld in artikel 2.7 die arbeid staakt tot op een nader te bepalen tijdstip. Het tijdstip wordt niet later gesteld dan dat, waarop hervatting van de arbeid wettelijk weer geoorloofd is.
  3. Voor zover het in het eerste en tweede lid bedoelde bevel op enigerlei andere wijze dan schriftelijk wordt gegeven, wordt zij binnen 7 dagen, nadat het bevel is gegeven, schriftelijk bevestigd.
  4. Degene, die een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft gegeven, is bevoegd met betrekking tot de uitvoering ervan de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen.
  5. Degene die het bevel heeft gegeven, kan dit bevel te allen tijde intrekken.
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 8.9. Aansprakelijkheid

  1. Een ieder, wie zulks aangaat, gedraagt zich overeenkomstig een bevel als bedoeld in artikel 8.8, eerste en tweede lid, en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vierde lid van dat artikel.
  2. Een gedraging in strijd met het eerste lid is een misdrijf.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 8. Toezicht. 4. Geheimhouding

Artikel 8.10. Geheimhoudingsplicht toezichthoudende ambtenaren

De toezichthoudende ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit hoofde van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen van de personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van deze wet en de daarop berustende bepalingen, behoudens wanneer deze personen hen schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bezwaar te hebben.

Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 9. Zelfstandige bestuursorganen

Artikel 9.1. Dienst Wegverkeer

  1. De Dienst Wegverkeer is belast met het erkennen van natuurlijke of rechtspersonen die een apparaat ter controle van de naleving van de bij of krachtens de in de artikelen 2.7 en 5.12, tweede lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, voor zover het betreft arbeid verricht door personen, werkzaam in of op motorrijtuigen, installeren, onderzoeken of herstellen.
  2. De Dienst Wegverkeer is belast met het toezicht op het installeren, onderzoeken en herstellen van de in het eerste lid bedoelde apparaten door de in dat artikellid bedoelde erkende natuurlijke of rechtspersonen.
  3. De artikelen 4c en 4x, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel opgedragen taken van de Dienst Wegverkeer.
Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 10. Gereserveerd

Hoofdstuk 11. Strafbaarstelling en daarmee samenhangende bepalingen

Artikel 11.1. Toepasselijkheid Nederlandse strafwet

De Nederlandse strafwet is mede van toepassing op de Nederlander en de in Nederland gevestigde werkgever die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een overtreding van de regels, welke voortvloeien uit de op de artikelen 2.7, eerste lid, 4.3, tweede tot en met vierde lid, en 5.12, tweede lid, berustende bepalingen, voor zover deze regels betrekking hebben op arbeid verricht door personen, werkzaam in of op motorrijtuigen.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 11.2. Werknemers in dienst van een buiten Nederlandgevestigde wergever

Indien een werknemer die in dienst is van een buiten Nederland gevestigde werkgever in diens opdracht arbeid verricht voor een in Nederland gevestigde werkgever, rusten de verplic htingen welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover deze zijn aangeduid als strafbare feiten, mede op de hiervoor bedoelde in Nederland gevestigde werkgever.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 10.1. Economisch delict

  1. In artikel 1, onder 3°, van de Wet op de economische delicten wordt ingevoegd. 'de Arbeidstijdenwet, artikel 8.9, eerste lid;'.
  2. In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt in alfabetische rangschikking ingevoegd. 'de Arbeidstijdenwet, de artikelen 3.2, eerste en vierde lid, 3.3, derde en vierde lid, 3.5, eerste lid, 4.1, zesde lid, 4.3, eerste lid, 4.6, 5.3, eerste en tweede lid, 5.4, derde en vierde lid, 5.5, 5.6, 5.7, derde lid, 5.8, derde lid, 5.9, derde lid, 5.10, eerste, tweede en zevende lid, 5.11, tweede tot en met vijfde lid, 5.13, tweede lid, 5.14, derde lid, 5.15, zesde lid, 5.16, eerste lid, voor zover het niet-naleven van de in dit artikellid bedoelde bepalingen een strafbaar feit oplevert, 11.2, alsmede - voor zover aangeduid als strafbare feiten - het niet-naleven van de voorschriften krachtens de artikelen 2.7, eerste lid, 4.3, tweede tot en met vierde lid, en 5.12, eerste en tweede lid;'.


Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 11.4. Strafoplegging

De terzake van deze wet in de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde feiten, gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding van deze wet en de daarop berustende bepalingen is gepleegd, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is gepleegd.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 10.5. Uitreiking gerechtelijke mededelingen

De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende overtredingen, welke voortvloeien uit een op de artikelen 4.3, tweede tot en met vierde lid, en 5.12, tweede lid, berustende bepaling, met betrekking tot personen, werkzaam in of op een motorrijtuig, begaan door een niet in Nederland gevestigde werkgever, kan eveneens geschieden aan de bestuurder van dat motorrijtuig die zich bereid verklaart om de mededeling onverwijld aan degene voor wie zij is bestemd te doen toekomen.

Terug naar de inhoudsopgave

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 12.1. Artikel 12.1. t/m 12.2 Ingetrokken wetten

Art. 12.1. 

  1. De Arbeidswet 1919 wordt ingetrokken.
  2. De Stuwadoorswet en de Wet van 13 juli 1951, Stb. 281, houdende vervanging van de bezettingsregeling betreffende een wekelijkse rustdag voor toonkunstenaars, die dans- en amusementsmuziek ten gehore brengen, worden ingetrokken.
  3. De Rijtijdenwet 1936 wordt ingetrokken.
  4. De Wet arbeids- en rusttijden zeescheepvaart wordt ingetrokken. 


Art. 12.2. 

De Phosphorluciferwet 1901 wordt ingetrokken.

Terug naar de inhoudsopgave

Paragraaf 12.2. Artikel 12.3 t/m 12.13 Wijziging regelgeving in verband met de Arbeidstijdenwet

Art. 12.3 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Locaalspoor- en Tramwegwet
Art. 12.4 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Mijnwet 1903
Art. 12.5 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Burgerlijk Wetboek 
Art. 12.6 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wetboek van Koophandel
Art. 12.7 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet op de bedrijfsorganisatie
Art. 12.8 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Luchtvaartwet
Art. 12.9 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Mijnwet continentaal plat
Art. 12.10 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet medezeggenschap onderwijs 1992
Art. 12.11 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart
Art. 12.12 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 
Art. 12.13 . De tekst van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart wordt in het Staatsblad geplaatst.

Terug naar de inhoudsopgave

Paragraaf 12.3. Artikel 12.14 t/m 12.19. Vervallen

Terug naar de inhoudsopgave

Paragraaf 12.4. Artikel 20 t/m 35. Wijziging regelgeving samenhangende met de Inspectiedienst SZW

Art. 12.20 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 
Art. 12:21 . Vervallen. Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten
Art. 12.22 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet op de gevaarlijke werktuigen
Art. 12.23 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Stoomwet
Art. 12.24 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Bestrijdingsmiddelenwet 1962
Art. 12.25 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet Gevaarlijke Stoffen
Art. 12.26 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Leerplichtwet 1969
Art. 12.27 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet op de loonvorming
Art. 12.28 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet op de ondernemingsraden
Art. 12.29 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Arbeidsomstandighedenwet
Art. 12.30 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 
Art. 12.31 . De tekst van de Arbeidsomstandighedenwet wordt in het Staatsblad geplaatst. Wet op de economische delicten
Art. 12.32 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Binnenschepenwet
Art. 12.33 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet arbeid gehandicapte werknemers
Art. 12.34 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. Wet goederenvervoer over de weg
Art. 12.35 . Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 

Terug naar de inhoudsopgave

Paragraaf 12.5. Slotbepalingen

Artikel 12.36. Voordracht tot een algemene maatregel van bestuur

Waar in deze wet niet anders wordt bepaald, wordt de voordracht tot een algemene maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister. Evaluatie 

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 12.37. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
 

Artikel 12.38. Tarifiering

  1. Onze Minister stelt de vergoeding vast die verschuldigd is voor de kosten van de stukken, opgemaakt op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag, tenzij zulks betrekking heeft op de in artikel 5.12, tweede lid , onderscheiden categorieën van arbeid.
  2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister tezamen stellen de vergoeding vast die verschuldigd is voor de kosten van de stukken, opgemaakt op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen voor de in artikel 5.12, tweede lid onderscheiden categorieën van arbeid, alsmede de vergoeding, verschuldigd voor de kosten van de behandeling van een ontheffingsaanvraag voor die onderscheiden categorieën van arbeid.
  3. Het aan het goedkeuren, aan het toezicht en aan de erkenning, bedoeld in artikel 9:1, verbonden tarief alsmede de wijze van betaling daarvan worden vastgesteld door de Dienst Wegverkeer en kunnen voor verschillende vormen van toezicht en verschillende soorten van erkenningen verschillend worden gesteld. Artikel 4q, eerste lid , van de Wegenverkeerswet 1994 is van overeenkomstige toepassing. Inwerkingtreding 
Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 12.39. Tijdstip inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen, onderdelen of subonderdelen verschillend kan worden gesteld.

Terug naar de inhoudsopgave

Artikel 12.40. Titel van de wet

Deze wet wordt aangehaald als: Arbeidstijdenwet.

Terug naar de inhoudsopgave


Print deze tekst
  • Zoek in de rubriek Vraag & antwoord: ..
  • Zoek in de rubriek Wetten en regels: ..

 
 
 
 
 
Laatste wijziging:  .