| De
Wet op de ondernemingsraden (WOR)
Versie 19 april 2012. Aan
de artikelen zijn titels toegevoegd.
Lees ook de vrijwaringsverklaring.
Zie ook de Engelse
versie van de WOR (alleen voor abonnees).
HOOFDSTUK I.
ALGEMENE
BEPALINGEN
-
Artikel 1.
De begrippen onderneming, ondernemer, bestuurder en werkzame personen
HOOFDSTUK II.DE
INSTELLING VAN ONDERNEMINGSRADEN
-
Artikel 2.
Instelling van de OR
-
Artikel 3.
De instelling van een gemeenschappelijke OR
-
Artikel 4.
De instelling van een afzonderlijke OR voor een bedrijfsonderdeel
-
Artikel 5.
Ontheffing instellingsplicht
-
Artikel 5a.
Instelling op basis van CAO of vrijwillige
HOOFDSTUK III.SAMENSTELLING
EN WERKWIJZE VAN DE ONDERNEMINGSRADEN
HOOFDSTUK IV.HET
OVERLEG MET DE ONDERNEMINGSRAAD
-
Artikel 23.
Het overleg: onderwerpen; initiatiefrecht; wie overlegt
-
Artikel 23a.
Quorum, voorzitter, secretaris, agenda, deskundigen
-
Artikel 23b.
Besluiten en schorsing
-
Artikel 23c.
Het overleg met de onderdeelcommissie
-
Artikel 24.
Algemene gang van zaken, belangrijke onderwerpen;,aanwezigheid commissarissen
HOOFDSTUK IV-A.BIJZONDERE
BEVOEGDHEDEN VAN DE ONDERNEMINGSRAAD
HOOFDSTUK IV-B.HET
VERSTREKKEN VAN GEGEVENS AAN DE ONDERNEMINGSRAAD
HOOFDSTUK IV-C.VERDERE
BEVOEGDHEDEN VAN DE ONDERNEMINGSRAAD
HOOFDSTUK V.DE
CENTRALE ONDERNEMINGSRADEN EN DE GROEPSONDERNEMINGSRADEN
HOOFDSTUK V-A.DE
MEDEZEGGENSCHAP IN KLEINE ONDERNEMINGEN
HOOFDSTUK VI.DE
ALGEMENE GESCHILLENREGELING
-
Artikel 36.
De algemene geschillenregeling
-
Artikel 36a.
De algemene geschillenregeling voor de Personeelsvergadering
HOOFDSTUK VII.DE
BEDRIJFSCOMMISSIES
HOOFDSTUK VII-A.HEFFINGEN
TER BEVORDERING VAN DE SCHOLING EN VORMING VAN ONDERNEMINGSRAADLEDEN
HOOFDSTUK VII-B.BIJZONDERE
BEPALINGEN VOOR ONDERNEMINGSRADEN BIJ DE OVERHEID
HOOFDSTUK VIII.OVERGANGS-
EN SLOTBEPALINGEN
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.
de begrippen onderneming, ondernemer, bestuurder en werkzame personen
-
Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
-
Onze Minister: Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
-
Raad: De Sociaal-Economische
Raad, bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
-
onderneming: elk in de maatschappij
als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens
arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid
wordt verricht;
-
ondernemer: de natuurlijke persoon
of de rechtspersoon die een onderneming in stand houdt;
-
bestuurder: hij die alleen dan
wel te zamen met anderen in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap
uitoefent bij de leiding van de arbeid;
-
bedrijfscommissie: de bevoegde
bedrijfscommissie, bedoeld in de artikelen 37, 43
en
46.
-
Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen
verstaan: degenen die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke
aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de ondernemer
die de onderneming in stand houdt.
Personen die in meer dan
één onderneming van dezelfde ondernemer werkzaam zijn, worden
geacht uitsluitend werkzaam te zijn in die onderneming van waaruit hun
werkzaamheden worden geleid.
-
Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen
mede verstaan:
-
degenen die in het kader van
werkzaamheden van de onderneming daarin ten minste 24 maanden werkzaam
zijn krachtens een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Titel
7.10 van het Burgerlijk Wetboek, en
-
degenen die krachtens een publiekrechtelijke
aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de ondernemer
werkzaam zijn in een door een andere ondernemer in stand gehouden onderneming.
-
Voor de toepassing van het bij
of krachtens deze wet bepaalde worden de bestuurder of de bestuurders van
een onderneming geacht niet te behoren tot de in de onderneming werkzame
personen.

HOOFDSTUK II
DE INSTELLING VAN ONDERNEMINGSRADEN
Artikel 2.
Instelling van de OR
-
De ondernemer die een onderneming
in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn,
is in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar
doelstellingen verplicht om ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging
van de in de onderneming werkzame personen een ondernemingsraad in te stellen
en jegens deze raad de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet,
na te leven.
-
Indien in een onderneming na
de instelling van een ondernemingsraad niet langer in de regel ten minste
50 personen werkzaam zijn, houdt de ondernemingsraad van rechtswege op
te bestaan bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad,
tenzij de ondernemer toepassing geeft aan
artikel 5a,
tweede lid.

Artikel 3.
De instelling van een gemeenschappelijke OR
-
De ondernemer die twee of meer
ondernemingen in stand houdt waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen
werkzaam zijn stelt voor alle of voor een aantal van die ondernemingen
te zamen een gemeenschappelijke ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk
is voor een goede toepassing van deze wet in de betrokken ondernemingen.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die twee
of meer ondernemingen in stand houden, waarin tezamen in de regel ten minste
50 personen werkzaam zijn. De betrokken ondernemers wijzen een tot hun
groep behorende ondernemer aan, die voor de toepassing van deze wet namens
hen als ondernemer optreedt ten opzichte van de gemeenschappelijke ondernemingsraad.
-
De ondernemingen waarvoor een
gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld, worden beschouwd als
één onderneming in de zin van deze wet.

Artikel 4.
De instelling van een afzonderlijke OR er voor een onderdeel
-
De ondernemer die een onderneming
in stand houdt, waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn,
stelt voor een onderdeel van die onderneming een afzonderlijke ondernemingsraad
in, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in
de onderneming.
-
Het onderdeel waarvoor een afzonderlijke
ondernemingsraad is ingesteld, wordt beschouwd als een onderneming in de
zin van deze wet.

Artikel 5.
Ontheffing instellingsplicht
-
De Raad kan, indien bijzondere
omstandigheden een goede toepassing van deze wet in de betrokken onderneming
in de weg staan, aan een ondernemer op diens verzoek ten aanzien van een
door hem in stand gehouden onderneming schriftelijk voor ten hoogste vijf
jaren ontheffing verlenen van de verplichting tot het instellen van een
ondernemingsraad. De Raad kan een dergelijke ontheffing uitsluitend verlenen
indien voor wat betreft de informatie aan en de raadpleging van werknemers
over de in het zesde lid genoemde onderwerpen door de ondernemer voorzieningen
zijn getroffen om te waarborgen dat wordt voldaan aan het zevende en achtste
lid.
-
De Raad stelt de verenigingen
van werknemers, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder
a, in de gelegenheid over het verzoek om ontheffing te worden gehoord.
-
Aan een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden. De Raad doet van zijn besluit mededeling aan de bedrijfscommissie.
-
Zolang op een verzoek om ontheffing
niet onherroepelijk is beslist, geldt de in artikel 2,
eerste lid, bedoelde verplichting niet.
-
In dit artikel wordt verstaan
onder:
-
informatie: het verstrekken
van gegevens door de ondernemer aan de werknemers opdat zij kennis kunnen
nemen van het onderwerp en het kunnen bestuderen;
-
raadpleging: de gedachtewisseling
en de totstandbrenging van een dialoog tussen de werknemers en de ondernemer.
-
Informatie en raadpleging behelzen:
-
informatie over de recente en
de waarschijnlijke ontwikkeling van de activiteiten en de economische situatie
van de onderneming;
-
informatie en raadpleging over
de situatie, de structuur en de waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid
binnen de onderneming, alsmede over eventuele geplande anticiperende maatregelen
met name in geval van bedreiging van de werkgelegenheid;
-
informatie en raadpleging over
beslissingen die ingrijpende veranderingen voor de arbeidsorganisatie of
de arbeidsovereenkomsten kunnen meebrengen.
-
Het tijdstip en de wijze van
informatieverstrekking alsmede de inhoud van de informatie moeten zodanig
zijn dat de werknemers de informatie adequaat kunnen bestuderen en zo nodig
de raadpleging kunnen voorbereiden.
-
Raadpleging geschiedt:
-
op een tijdstip, met middelen
en met een inhoud die passend zijn;
-
op het relevante niveau van
directie en vertegenwoordiging, afhankelijk van het te bespreken onderwerp;
-
op basis van de door de ondernemer
te verstrekken informatie en van het advies dat de werknemers kunnen uitbrengen;
-
op zodanige wijze dat de werknemers
met de ondernemer kunnen samenkomen en een met redenen omkleed antwoord
op hun advies kunnen krijgen;
-
met het doel een akkoord te
bereiken over de in het zesde lid, onderdeel c, bedoelde beslissingen,
die onder de bevoegdheden van de ondernemer vallen.

Artikel 5a.
Instelling op basis van CAO of vrijwillig
-
Het bij of krachtens deze wet
bepaalde is mede van toepassing wanneer een ondernemer op grond van een
collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden
vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan, verplicht is voor een door
hem in stand gehouden onderneming een ondernemingsraad in te stellen. Wanneer
de collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden
vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan, de ondernemer niet langer
verplicht tot het instellen van de ondernemingsraad, houdt deze van rechtswege
op te bestaan bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad,
tenzij de ondernemer van toepassing geeft aan het tweede lid.
-
De ondernemer kan voor een door
hem in stand gehouden onderneming, ten aanzien waarvan niet of niet langer
een verplichting bestaat tot het instellen van een ondernemingsraad, besluiten
vrijwillig een ondernemingsraad in te stellen of in stand te houden. Het
bij of krachtens deze wet bepaalde is van toepassing, zodra de onderneming
dat besluit schriftelijk heeft meegedeeld aan de bedrijfscommissie. De
ondernemer kan deze ondernemingsraad op grond van een belangrijke wijziging
van de omstandigheden opheffen bij het eindigen van de lopende zittingsperiode
van die raad. De ondernemer deelt zijn besluit tot opheffing van de ondernemingsraad
schriftelijk mee aan de bedrijfscommissie.

HOOFDSTUK III
SAMENSTELLING EN WERKWIJZE VAN DE ONDERNEMINGSRADEN
Artikel 6.
Samenstelling van de OR
-
Een ondernemingsraad bestaat
uit leden die door de in de onderneming werkzame personen rechtstreeks
uit hun midden worden gekozen. Hun aantal bedraagt in een onderneming
-
met minder dan 50 personen:
3 leden;
-
met 50 tot 100 personen: 5 leden;
-
met 100 tot 200 personen: 7
leden;
-
met 200 tot 400 personen: 9
leden;
-
met 400 tot 600 personen: 11
leden;
-
met 600 tot 1000 personen: 13
leden;
-
met 1000 tot 2000 personen:
15 leden;
-
en zo vervolgens bij elk volgend
duizendtal personen 2 leden meer, tot ten hoogste 25 leden.
De ondernemingsraad kan met
toestemming van de ondernemer in zijn reglement zowel een afwijkend aantal
leden vaststellen, als bepalen dat voor een of meer leden van de ondernemingsraad
een plaatsvervanger wordt gekozen. Een plaatsvervangend ondernemingsraadslid
heeft dezelfde rechten en verplichtingen als het lid dat hij vervangt.
-
Kiesgerechtigd zijn de personen
die gedurende ten minste zes maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest.
-
Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad
zijn de personen die gedurende ten minste een jaar in de onderneming werkzaam
zijn geweest.
-
De ondernemer en de ondernemingsraad
kunnen, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet
in de onderneming, gezamenlijk een of meer groepen van personen die anders
dan op grond van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer, dan wel krachtens
publiekrechtelijke aanstelling regelmatig in de onderneming arbeid verrichten,
aanmerken als in de onderneming werkzame personen, dan wel een of meer
groepen van die personen niet langer aanmerken als in de onderneming werkzame
personen. Komen de ondernemer en de ondernemingsraad niet tot overeenstemming,
dan kan ieder van hen een beslissing van de kantonrechter vragen.
-
De ondernemingsraad kan in zijn
reglement afwijken van hetgeen in het tweede en derde lid van dit artikel
ten aanzien van de diensttijd is bepaald indien dit bevorderlijk is voor
een goede toepassing van deze wet in de onderneming.
-
Tijdens een zittingsperiode
van de ondernemingsraad kan geen wijziging worden gebracht in het aantal
leden van de raad op grond van een vermeerdering of vermindering van het
aantal in de onderneming werkzame personen.

Artikel 7.
De voorzitter van de OR
-
De ondernemingsraad kiest uit
zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters.
De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter,
vertegenwoordigt de ondernemingsraad in rechte.

Artikel 8.
Het reglement van de OR
-
De ondernemingsraad maakt een
reglement waarin de onderwerpen worden geregeld die bij of krachtens deze
wet ter regeling aan de ondernemingsraad zijn opgedragen of overgelaten.
Het reglement bevat geen bepalingen die in strijd zijn met de wet of die
een goede toepassing van deze wet in de weg staan. Alvorens het reglement
vast te stellen, stelt de ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid
zijn standpunt kenbaar te maken. De ondernemingsraad verstrekt onverwijld
een exemplaar van het vastgestelde reglement van de ondernemer en aan de
bedrijfscommissie.
-
De Raad kan ten aanzien van
de inhoud van het reglement bij verordening nadere regelen stellen voor
alle of een groep van ondernemingen. In het laatste geval wordt de betrokken
bedrijfscommissie gehoord. Een verordening van de Raad behoeft de goedkeuring
van Onze Minister. Een goedgekeurde verordening wordt in de Staatscourant
bekendgemaakt.
-
Indien de Raad een verordening
als bedoeld in het tweede lid vaststelt, brengen de betrokken ondernemingsraden
binnen een jaar na de bekendmaking van de goedgekeurde verordening in de
Staatscourant, de bepalingen in hun reglement die in strijd zijn met deze
verordening daarmee in overeenstemming.

Artikel 9.
De verkiezing van de OR
-
De verkiezing van leden van
de ondernemingsraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming en aan
de hand van een of meer kandidatenlijsten.
-
Een kandidatenlijst kan worden
ingediend door:
-
een vereniging van werknemers,
die in de onderneming werkzame kiesgerechtigde personen onder haar leden
telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden
als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming
of bedrijfstak werkzaam is en voorts ten minste twee jaar in het bezit
is van volledige rechtsbevoegdheid, mits zij met haar leden in de onderneming
over de samenstelling van de kandidatenlijst overleg heeft gepleegd. Ten
aanzien van een vereniging die krachtens haar statuten geacht kan worden
een voortzetting te zijn van een of meer andere verenigingen met volledige
rechtsbevoegdheid van werknemers, wordt de duur van de volledige rechtsbevoegdheid
van die vereniging of verenigingen voor de vaststelling van de tijdsduur
van twee jaar mede in aanmerking genomen;
-
een derde gedeelte of méér
van diegenen van de in de onderneming werkzame kiesgerechtigde personen
die geen lid zijn van een vereniging als bedoeld onder lid a welke een
kandidatenlijst heeft ingediend, echter met dien verstande, dat voor het
indienen van een kandidatenlijst met 30 handtekeningen kan worden volstaan.
-
De ondernemingsraad kan in zijn
reglement bepalen, dat voor bepaalde groepen van in de onderneming werkzame
personen, dan wel voor bepaalde onderdelen van de onderneming afzonderlijke
kandidatenlijsten worden ingediend, teneinde als grondslag te dienen voor
de verkiezing door de betrokken personen of onderdelen van een tevens in
het reglement te bepalen aantal leden van de ondernemingsraad. Indien de
ondernemingsraad van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, gelden de
in het tweede lid ten aanzien van het indienen van kandidatenlijsten gestelde
eisen voor iedere aangewezen groep of ieder aangewezen onderdeel afzonderlijk.
-
De ondernemingsraad treft, indien
dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de onderneming,
voorzieningen in zijn reglement opdat de verschillende groepen van de in
de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk in de ondernemingsraad
vertegenwoordigd kunnen zijn.

Artikel 10.
Nadere regels over de verkiezing van de OR
-
De ondernemingsraad stelt in
zijn reglement nadere regelen betreffende de kandidaatstelling, de inrichting
van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag daarvan, alsmede
de betreffende de vervulling van tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad.

Artikel 11.
Bekendmaking van de verkiezingsuitslag en vermelding van de OR-leden
-
De ondernemingsraad draagt er
zorg voor, dat de uitslag van de verkiezingen bekend wordt gemaakt aan
de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen, alsmede aan
degenen die kandidatenlijsten hebben ingediend.
-
Hij draagt er zorg voor, dat
de namen en de functies in de onderneming van de leden van de ondernemingsraad
blijvend worden vermeld op een plaats die vrij toegankelijk is voor alle
in de onderneming werkzame personen, op zodanige wijze dat daarvan gemakkelijk
kennis kan worden genomen.

Artikel 12.
Zittingsduur van de OR-leden
-
De leden van de ondernemingsraad
treden om de drie jaren tegelijk af. Zij zijn terstond herkiesbaar.
-
De ondernemingsraad kan, in
afwijking van het eerste lid, in zijn reglement bepalen, dat de leden om
de twee jaren of om de vier jaren tegelijk aftreden, dan wel om de twee
jaren voor de helft aftreden. De ondernemingsraad kan voorts beperkingen
vaststellen ten aanzien van de herkiesbaarheid.
-
Wanneer een lid van de ondernemingsraad
ophoudt in de onderneming werkzaam te zijn, eindigt van rechtswege zijn
lidmaatschap van de ondernemingsraad.
-
De leden van de ondernemingsraad
kunnen te allen tijde als zodanig ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk
kennis aan de voorzitter en aan de ondernemer.
-
Hij die optreedt ter vervulling
van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop
degene in wiens plaats hij komt had moeten aftreden.

Artikel 13.
Uitsluiting van een OR-lid
-
Op verzoek van de ondernemer
of van de ondernemingsraad kan de kantonrechter voor een door hem te bepalen
termijn een lid van de ondernemingsraad uitsluiten van alle of bepaalde
werkzaamheden van de ondernemingsraad. Het verzoek kan uitsluitend worden
gedaan door de ondernemer op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadlid
het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig belemmert,
en door de ondernemingsraad op grond van het feit dat de betrokkene de
werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert.
-
Alvorens een verzoek in te dienen
stelt de verzoeker de betrokkene in de gelegenheid over het verzoek te
worden gehoord. De ondernemer en de ondernemingsraad stellen elkaar in
kennis van een overeenkomstig het eerste lid ingediend verzoek.

Artikel 14.
Regeling van de werkwijze
-
De ondernemingsraad regelt in
zijn reglement zijn werkwijze.
-
Het reglement bevat in ieder
geval voorschriften omtrent:
-
de gevallen waarin de ondernemingsraad
ten behoeve van de uitoefening van zijn taak bijeenkomt;
-
de wijze van bijeenroeping van
de ondernemingsraad;
-
het aantal leden dat aanwezig
moet zijn om een vergadering te kunnen houden;
-
de uitoefening van het stemrecht
in de vergaderingen;
-
de voorziening in het secretariaat;
-
het opmaken en het bekendmaken
aan de ondernemer, de leden van de ondernemingsraad en aan de andere in
de onderneming werkzame personen van de agenda van de vergaderingen van
de ondernemingsraad;
-
het tijdstip waarop de ondernemer,
de leden van de ondernemingsraad en de andere in de onderneming werkzame
personen uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van de agenda, welk
tijdstip niet later kan worden gesteld dan 7 dagen vóór de
vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen;
-
het opmaken en het bekendmaken
aan de ondernemer, de leden van de ondernemingsraad en aan de andere in
de onderneming werkzame personen van de verslagen van de vergaderingen
van de ondernemingsraad en van het jaarverslag van de ondernemingsraad.

Artikel 15.
Instelling commissies
-
De ondernemingsraad kan de commissies
instellen die hij voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig
heeft. De ondernemingsraad legt zijn voornemen om een commissie in te stellen
schriftelijk voor aan de ondernemer, met vermelding van de taak, samenstelling,
bevoegdheden en werkwijze van de door hem in te stellen commissie. Bij
bezwaar van de ondernemer kan de ondernemingsraad een beslissing van de
kantonrechter vragen.
-
De ondernemingsraad kan met
inachtneming van het eerste lid vaste commissies instellen voor de behandeling
van door hem aangewezen onderwerpen. De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit
van een vaste commissie zijn rechten en bevoegdheden ten aanzien van deze
onderwerpen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen,
geheel of gedeeltelijk aan de betrokken commissie overdragen. In een vaste
commissie kunnen naast een meerderheid van leden van de ondernemingsraad
ook andere in de onderneming werkzame personen zitting hebben.
-
De ondernemingsraad kan met
inachtneming van het eerste lid voor onderdelen van de onderneming onderdeelcommissies
instellen voor de behandeling van de aangelegenheden van die onderdelen.
De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van een onderdeelcommissie
aan deze commissie de bevoegdheid toekennen tot het plegen van overleg
met degene die de leiding heeft van het betrokken onderdeel. In dat geval
gaan de rechten en bevoegdheden van de ondernemingsraad ten aanzien van
de aangelegenheden van het onderdeel, met uitzondering van de bevoegdheid
tot het voeren van rechtsgedingen, over naar de onderdeelcommissie, tenzij
de ondernemingsraad besluit een bepaalde aangelegenheid zelf te behandelen.
In een onderdeelcommissie kunnen naast een of meer leden van de ondernemingsraad
uitsluitend in het betrokken onderdeel werkzame personen zitting hebben.
-
De ondernemingsraad kan met
inachtneming van het eerste lid voorbereidingscommissies instellen ter
voorbereiding van door de ondernemingsraad te behandelen onderwerpen. Een
voorbereidingscommissie kan geen rechten of bevoegdheden van de ondernemingsraad
uitoefenen. Een voorbereidingscommissie kan slechts voor een bepaalde,
door de ondernemingsraad in het instellingsbesluit te vermelden, tijd worden
ingesteld. In een voorbereidingscommissie kunnen naast een of meer leden
van de ondernemingsraad ook andere in de onderneming werkzame personen
zitting hebben.
-
Ten aanzien van de leden van
door de ondernemingsraad ingestelde commissies, die geen lid zijn van de
ondernemingsraad, is artikel 13 van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 16.
Inschakelen extern deskundigen
-
De ondernemingsraad kan een
of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een vergadering van
die raad, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp. Hij
kan een zodanige uitnodiging ook doen aan een of meer bestuurders van de
onderneming, dan wel aan een of meer personen als bedoeld in artikel
24, tweede lid.
-
De leden van de ondernemingsraad
kunnen in de vergadering aan de in het eerste lid bedoelde personen inlichtingen
en adviezen vragen.
-
Een deskundige kan eveneens
worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.
-
De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de commissies van de ondernemingsraad.

Artikel 17.
Faciliteiten en doorbetaling van loon
-
De ondernemer is verplicht de
ondernemingsraad en de commissies van die raad, en, indien de ondernemer
aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, de secretaris
van die raad het gebruik toe te staan van de voorzieningen waarover hij
als zodanig kan beschikken en die de ondernemingsraad, de commissies en
de secretaris van die raad voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze
nodig hebben. De ondernemer stelt de ondernemingsraad en de commissies
van die raad in staat de in de onderneming werkzame personen te raadplegen
en stelt deze personen in de gelegenheid hieraan hun medewerking te verlenen,
een en ander voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling
van de taak van de raad en de commissies.
-
De ondernemingsraad en de commissies
van die raad vergaderen zoveel mogelijk tijdens de normale arbeidstijd.
-
De leden van de ondernemingsraad
en de leden van de commissies van die raad behouden voor de tijd gedurende
welke zij ten gevolge van het bijwonen van een vergadering van de ondernemingsraad
of van een commissie van die raad niet de bedongen arbeid hebben verricht,
hun aanspraak op loon dan wel bezoldiging.

Artikel 18.
Vrijgestelde tijd, scholingsrechten
-
De ondernemer is verplicht de
leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies van die raad,
gedurende een door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast
te stellen aantal uren per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan
wel bezoldiging de gelegenheid te bieden voor onderling beraad en overleg
met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening
van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden
in de onderneming.
-
De ondernemer is verplicht de
leden van de ondernemingsraad en de leden van een vaste commissie of onderdeelcommissie,
bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderscheidelijk
derde lid, gedurende een door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk
vast te stellen aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van loon
dan wel bezoldiging de gelegenheid te bieden de scholing en vorming te
ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen.
-
De ondernemer en de ondernemingsraad
stellen het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en het aantal dagen,
bedoeld in het tweede lid onderscheidenlijk derde lid, vast op een zodanig
aantal als de betrokken leden van de ondernemingsraad en van de commissies
van die raad voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben.
Daarbij wordt in acht genomen dat het aantal uren niet lager vastgesteld
kan worden dan zestig per jaar en het aantal dagen:
-
voor leden van een in het tweede
lid bedoelde commissie die niet tevens lid zijn van de ondernemingsraad,
niet lager vastgesteld kan worden dan drie per jaar;
-
voor leden van de ondernemingsraad
die niet tevens lid zijn van een in het tweede lid bedoelde commissie,
niet lager vastgesteld kan worden dan vijf per jaar; en
-
voor leden van de ondernemingsraad
die tevens lid zijn van een commissie, niet lager vastgesteld kan worden
dan acht per jaar.
-
De ondernemingsraad, alsmede
ieder lid van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad kan
de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te
geven aan hetgeen is bepaald in het eerste, het tweede en het derde lid.

Artikel 19.
-
Vervallen.

Artikel 20.
Geheimhouding
-
De leden van de ondernemingsraad
en de leden van de commissies van die raad, alsmede de overeenkomstig artikel
16 geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle
zaken- en bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede
van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer dan wel de ondernemingsraad
of de betrokken commissie hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij,
in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijk karakter moeten
begrijpen. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk
vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld.
Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk
of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoe lang
deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de
geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van degenen die met het secretariaat van de ondernemingsraad
of van een commissie van die raad zijn belast.
-
De in het eerste lid bedoelde
verplichting geldt niet tegenover hen die tengevolge van een rechterlijke
opdracht zijn belast met een onderzoek naar de gang van zaken in de onderneming.
-
De in het eerste lid bedoelde
verplichting geldt voorts niet tegenover hem die door een lid van de ondernemingsraad
of door een lid van een commissie van die raad wordt benaderd voor overleg,
mits de ondernemer, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd,
vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon
en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten aanzien
van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval
is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
-
Een weigering de in het vorige
lid bedoelde toestemming te verlenen, wordt door de ondernemer, onderscheidenlijk
door degene die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.
-
De plicht tot geheimhouding
vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de ondernemingsraad
of van de betrokken commissie, noch door beëindiging van de werkzaamheden
van de betrokkene in de onderneming.
-
De ondernemingsraad, alsmede
ieder lid van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad, alsmede
een overeenkomstig artikel 16 geraadpleegde deskundige en ieder die met
het secretariaat van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad
is belast kan de kantonrechter verzoeken de opgelegde geheimhouding op
te heffen op de grond dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen
niet in redelijkheid tot het opleggen van geheimhouding had kunnen besluiten.

Artikel 21.
Bescherming tegen benadeling en het bijzonder ontslagverbod
-
De ondernemer draagt er zorg
voor, dat de in de onderneming werkzame personen die staan of gestaan hebben
op een kandidatenlijst bedoeld in artikel 9, alsmede
de leden en de gewezen leden van de ondernemingsraad en van de commissies
van die raad niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of hun lidmaatschap
van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad worden benadeeld
in hun positie in de onderneming. Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad
een secretaris heeft toegevoegd is de eerste volzin op hem van overeenkomstige
toepassing. Op degene die het initiatief neemt of heeft genomen tot het
instellen van een ondernemingsraad is de eerste volzin van overeenkomstige
toepassing. De ondernemingsraad, alsmede iedere in de onderneming werkzame
persoon als in de eerste tot en met de derde volzin bedoeld, kan de kantonrechter
verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen
in de eerste en tweede volzin is bepaald. Ten aanzien van personen die
krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de onderneming werkzaam zijn,
treedt een andere kamer van de rechtbank in de plaats van de kantonrechter.
Noot: onderstaande
leden 2 tot en met 6 van artikel 21 zijn vervallen in de WOR en geregeld
in de artikelen 670 lid4, 670a en 670b van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
-
Het is de ondernemer niet toegestaan
de dienstbetrekking van een in de onderneming werkzame persoon die lid
is van de ondernemingsraad of van een commissie als bedoeld in artikel
15, tweede en derde lid, te beëindigen, behalve wanneer de betrokkene
schriftelijk in de beëindiging toestemt of wanneer deze geschiedt
wegens een dringende aan de werknemer onverwijld meegedeelde reden of wegens
beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van het onderdeel
van de onderneming waarin de betrokkene werkzaam is. Indien de ondernemer
aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd is de eerste volzin
op die secretaris van overeenkomstige toepassing. Een beëindiging
in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
-
Het is de ondernemer niet toegestaan
de dienstbetrekking van een in de onderneming werkzame persoon die geplaatst
is op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9, die
korter dan twee jaar geleden lid is geweest van de ondernemingsraad, die
lid is van een commissie als bedoeld in artikel 15,
vierde lid, of die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een
commissie van de raad, te beëindigen zonder voorafgaande toestemming
van de kantonrechter. De toestemming wordt gevraagd bij verzoekschrift.
De kantonrechter verleent de toestemming slechts, indien het hem aannemelijk
voorkomt dat de beëindiging geen verband houdt met de plaatsing van
de betrokkene op de kandidatenlijst of met het lidmaatschap van de betrokkene
van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad. De betrokkene
wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Een beëindiging
in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
-
De in het vorige lid bedoelde
toestemming is niet vereist, wanneer de betrokkene schriftelijk in de beëindiging
toestemt of wanneer deze geschiedt wegens een dringende aan de werknemer
onverwijld meegedeelde reden of wegens beëindiging van de werkzaamheden
van de onderneming of van het onderdeel van de onderneming waarin de betrokkene
werkzaam is.
-
Het tweede tot en met vierde
lid laten onverlet de bevoegdheid van de ondernemer om de kantonrechter
te verzoeken de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden.
De kantonrechter kan dit verzoek slechts inwilligen, indien het hem aannemelijk
voorkomt dat het verzoek geen verband houdt met de plaatsing van de betrokkene
op de kandidatenlijst of met het lidmaatschap van de betrokkene van de
ondernemingsraad of van een commissie van die raad.
-
De leden 2 tot en met 5 zijn
niet van toepassing ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke
aanstelling werkzaam zijn in de onderneming.

Artikel 22.
Kosten
-
De kosten die redelijkerwijze
noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad
en de commissies van die raad komen ten laste van de ondernemer.
-
Met inachtneming van het bepaalde
in het eerste lid komen de kosten van het overeenkomstig artikel
16 en
artikel 23a, zesde lid, raadplegen van een
deskundige door de ondernemingsraad of een commissie van die raad, alsmede
de kosten van het voeren van rechtsgedingen door de ondernemingsraad, slechts
ten laste van de ondernemer, indien hij van de te maken kosten vooraf in
kennis is gesteld. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer uitvoering
is gegeven aan het derde lid.
-
De ondernemer kan in overeenstemming
met de ondernemingsraad de kosten die de ondernemingsraad en de commissies
van die raad in enig jaar zullen maken, voor zover deze geen verband houden
met het bepaalde in de artikelen 17 en 18,
vaststellen op een bepaald bedrag, dat de ondernemingsraad naar eigen inzicht
kan besteden. Kosten waardoor het hier bedoelde bedrag zou worden overschreden,
komen slechts ten laste van de ondernemer voor zover hij in het dragen
daarvan toestemt.

Artikel 22a.
Proceskosten
-
In rechtsgedingen tussen de
ondernemer en de ondernemingsraad kan de ondernemingsraad niet in de proceskosten
worden veroordeeld.

HOOFDSTUK IV
HET OVERLEG MET DE ONDERNEMINGSRAAD
Artikel 23.
Het overleg: onderwerpen, initiatiefrecht, wie overlegt
-
De ondernemer en de ondernemingsraad
komen met elkaar bijeen binnen twee weken nadat hetzij de ondernemingsraad
hetzij de ondernemer daarom onder opgave van redenen heeft verzocht.
-
In de in het eerste lid bedoelde
overlegvergaderingen worden de aangelegenheden, de onderneming betreffende,
aan de orde gesteld, ten aanzien waarvan hetzij de ondernemer, hetzij de
ondernemingsraad overleg wenselijk acht of waarover ingevolge het bij of
krachtens deze wet bepaalde overleg tussen de ondernemer en de ondernemingsraad
moet plaatsvinden. De ondernemingsraad is bevoegd omtrent de bedoelde aangelegenheden
voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Onder de aangelegenheden,
de onderneming betreffende, is niet begrepen het beleid ten aanzien van,
alsmede de uitvoering van een bij of krachtens een wettelijk voorschrift
aan de ondernemer opgedragen publiekrechtelijke taak, behoudens voor zover
deze uitvoering de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen
betreft.
-
De ondernemingsraad is ook buiten
de overlegvergadering bevoegd aan de ondernemer voorstellen te doen omtrent
de in het tweede lid bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt
schriftelijk en voorzien van een toelichting aan de ondernemer voorgelegd.
De ondernemer beslist over het voorstel niet dan nadat daarvoor ten minste
éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Na
het overleg deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk en met
redenen omkleed aan de ondernemingsraad mee, of en in hoeverre hij overeenkomstig
het voorstel zal besluiten.
-
Het overleg wordt voor de ondernemer
gevoerd door de bestuurder van de onderneming. Wanneer een onderneming
meer dan één bestuurder heeft, bepalen dezen te zamen wie
van hen overleg pleegt met de ondernemingsraad.
-
De in het vorige lid bedoelde
bestuurder kan zich in geval van verhindering of ten aanzien van een bepaald
onderwerp laten vervangen door een medebestuurder. Heeft de onderneming
geen meerhoofdig bestuur, dan kan de bestuurder zich bij verhindering doen
vervangen door een persoon als bedoeld in artikel 24,
tweede lid, of door een in de onderneming werkzame persoon die beschikt
over bevoegdheden om namens de ondernemer overleg te voeren met de ondernemingsraad.
-
De bestuurder of degene die
hem vervangt kan zich bij het overleg laten bijstaan door een of meer medebestuurders,
personen als bedoeld in artikel 24, tweede lid, of in
de onderneming werkzame personen.

Artikel 23a.
Quorum, voorzitter, secretaris, agenda, uitnodigen van deskundigen
-
Een overlegvergadering kan slechts
worden gehouden, indien ten aanzien van de ondernemingsraad wordt voldaan
aan de bepalingen die ingevolge het reglement van de ondernemingsraad gelden
voor het houden van een vergadering van die raad. Alle leden van de ondernemingsraad
kunnen in de vergadering het woord voeren.
-
De overlegvergadering wordt,
tenzij de ondernemer en de ondernemingsraad te zamen een andere regeling
treffen, beurtelings geleid door de bestuurder of degene die hem ingevolge
artikel
23, zesde lid, vervangt en de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter
van de ondernemingsraad.
-
De secretaris van de ondernemingsraad
treedt op als secretaris van de overlegvergadering, tenzij de ondernemer
en de ondernemingsraad te zamen een andere persoon als secretaris aanwijzen.
-
De agenda van de overlegvergadering
bevat de onderwerpen die door de ondernemer of door de ondernemingsraad
bij de secretaris voor het overleg zijn aangemeld. Het verslag van de overlegvergadering
behoeft de goedkeuring van de ondernemer en de ondernemingsraad.
-
De ondernemer en de ondernemingsraad
maken gezamenlijk afspraken over de gang van zaken bij de overlegvergadering
en over de wijze en het tijdstip waarop de agenda en het verslag van de
overlegvergadering aan de in de onderneming werkzame personen bekend worden
gemaakt.
-
Ten aanzien van de overlegvergadering
zijn de artikelen 17 en 22 van overeenkomstige
toepassing. Zowel de ondernemingsraad als de ondernemer kan een of meer
deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een overlegvergadering, indien
dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp redelijkerwijze nodig
is. Zij stellen elkaar hiervan tijdig vooraf in kennis.

Artikel 23b.
Besluiten en schorsing
-
Tijdens een overlegvergadering
kunnen zowel door de ondernemer als door de ondernemingsraad besluiten
worden genomen.
-
Een overlegvergadering wordt
door de voorzitter geschorst, wanneer de ondernemer of de ondernemingsraad
ten aanzien van een bepaald onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht.

Artikel 23c.
Het overleg van de onderdeelcommissie
-
Indien de ondernemingsraad aan
een onderdeelcommissie de bevoegdheid heeft toegekend tot het plegen van
overleg met degene die de leiding heeft van het betrokken onderdeel, zijn
ten aanzien van dat overleg de artikel 17,
22, 23 en 23a, tweede, vierde
en zesde lid, 23b,
24, eerste lid,
25,
27,
28,
31a, eerste, zesde en zevende lid, 31b en 31c
van overeenkomstige toepassing. In dit overleg kunnen geen aangelegenheden
worden behandeld die in het overleg met de ondernemingsraad worden behandeld.

Artikel 24.
Algemene gang van zaken, belangrijke onderwerpen, aanwezigheid commissarissen
-
In de overlegvergadering wordt
ten minste tweemaal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming
besproken. De ondernemer doet in dit kader mededeling over besluiten die
hij in voorbereiding heeft met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld
in de artikelen 25 en 27. Daarbij
worden afspraken gemaakt wanneer en op welke wijze de ondernemingsraad
in de besluitvorming wordt betrokken.
-
Indien de onderneming in stand
wordt gehouden door een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij,
zijn bij de in het eerste lid bedoelde besprekingen de commissarissen van
de vennootschap, de coöperatie of de onderlinge waarborgmaatschappij,
als die er zijn, dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden
aanwezig. Wordt ten minste de helft van de aandelen van de vennootschap
middellijk of onmiddellijk voor eigen rekening gehouden door een andere
vennootschap, dan rust de hiervoor bedoelde verplichting op de bestuurders
van de laatstbedoelde vennootschap, dan wel op een of meer door hen aangewezen
vertegenwoordigers. Wordt de onderneming in stand gehouden door een vereniging
of een stichting, dan zijn de bestuursleden van de vereniging of stichting,
dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. De ondernemingsraad
kan in een bepaald geval besluiten, dat aan dit lid geen toepassing behoeft
te worden gegeven.
-
Het in het vorige lid bepaalde
geldt niet ten aanzien van een onderneming die in stand wordt gehouden
door een ondernemer die ten minste vijf ondernemingen in stand houdt waarvoor
een ondernemingsraad is ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van
toepassing zijn, dan wel door een ondernemer die deel uitmaakt van in een
groep verbonden ondernemers die te zamen ten minste vijf ondernemingsraden
hebben ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn.

HOOFDSTUK
IV-A BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE ONDERNEMINGSRAAD
Artikel 25.
Het adviesrecht van de OR
-
De ondernemingsraad wordt door
de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk
door hem voorgenomen besluit tot:
-
overdracht van de zeggenschap
over de onderneming of een onderdeel daarvan;
-
het vestigen van, dan wel het
overnemen of afstoten van de zeggenschap over, een andere onderneming,
alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke wijziging in
of het verbreken van duurzame samenwerking met een andere onderneming,
waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken
van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van
een dergelijke onderneming;
-
beëindiging van de werkzaamheden
van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan;
-
belangrijke inkrimping, uitbreiding
of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming;
-
belangrijke wijziging in de
organisatie van de onderneming, dan wel in de verdeling van bevoegdheden
binnen de onderneming.
-
wijziging van de plaats waar
de onderneming haar werkzaamheden uitoefent;
-
het groepsgewijs werven of inlenen
van arbeidskrachten;
-
het doen van een belangrijke
investering ten behoeve van de onderneming;
-
het aantrekken van een belangrijk
krediet ten behoeve van de onderneming;
-
het verstrekken van een belangrijk
krediet en het stellen van zekerheid voor belangrijke schulden van een
andere ondernemer, tenzij dit geschiedt in de normale uitoefening van werkzaamheden
in de onderneming;
-
invoering of wijziging van een
belangrijke technologische voorziening;
-
het treffen van een belangrijke
maatregel in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder
begrepen het treffen of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische
en administratieve voorziening in verband met het milieu;
-
vaststelling van een regeling
met betrekking tot het zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40,
aanhef en eerste lid, onderdeel a, artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel
b, of artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel c, van de Wet financiering
sociale verzekeringen;
-
het verstrekken en het formuleren
van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming betreffende
een der hiervoor bedoelde aangelegenheden.
Het onder b bepaalde, alsmede
het onder n bepaalde, voor zover dit betrekking heeft op een aangelegenheid
als bedoeld onder b, is niet van toepassing wanneer de andere onderneming
in het buitenland gevestigd is of wordt en redelijkerwijze niet te verwachten
is dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder
c-f ten aanzien van een onderneming die door de ondernemer in Nederland
in stand wordt gehouden.
-
De ondernemer legt het te nemen
besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Het advies moet op een
zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn
op het te nemen besluit.
-
Bij het vragen van advies wordt
aan de ondernemingsraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen van
het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten
valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar
aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.
-
De ondernemingsraad brengt met
betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid geen
advies uit dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal
overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Ten aanzien van de bespreking
van het voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel
24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-
Indien na het advies van de
ondernemingsraad een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen,
wordt de ondernemingsraad door de ondernemer zo spoedig mogelijk van het
besluit schriftelijk in kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad
niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens medegedeeld,
waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de ondernemingsraad daarover
nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts het advies van de ondernemingsraad
ingewonnen over de uitvoering van het besluit.
-
Tenzij het besluit van de ondernemer
overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad, is de ondernemer verplicht
de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop
de ondernemingsraad van dat besluit in kennis is gesteld. De verplichting
vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen geeft.

Artikel 26.
Beroepsrecht
-
De ondernemingsraad kan bij
de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam beroep instellen
tegen een besluit van de ondernemer als bedoeld in artikel
25, vijfde lid, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming
is met het advies van de ondernemingsraad, hetzij wanneer feiten of omstandigheden
bekend zijn geworden, die, waren zij aan de ondernemingsraad bekend geweest
ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen
zijn geweest om het advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.
-
Het beroep wordt ingediend bij
verzoekschrift, binnen een maand nadat de ondernemingsraad van het in het
eerste lid bedoelde besluit in kennis is gesteld.
-
De ondernemer wordt van het
ingestelde beroep in kennis gesteld.
-
Het beroep kan uitsluitend worden
ingesteld ter zake dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen
niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
-
De ondernemingskamer behandelt
het verzoek met de meeste spoed. Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve,
deskundigen, alsmede in de onderneming werkzame personen horen. Indien
de ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, verklaart zij dat de ondernemer
bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het betrokken
besluit had kunnen komen. Zij kan voorts, indien de ondernemingsraad daarom
heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen treffen:
-
het opleggen van de verplichting
aan de ondernemer om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede
om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;
-
het opleggen van een verbod
aan de ondernemer om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter
uitvoering van het besluit of van onderdelen daarvan. Een voorziening van
de ondernemingskamer kan door derden verworven rechten niet aantasten.
-
De ondernemingskamer kan haar
beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen voor een door
haar te bepalen termijn aanhouden, indien beide partijen daarom verzoeken,
dan wel indien de ondernemer op zich neemt het besluit waartegen beroep
is ingesteld, in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het
besluit ongedaan te maken.
-
Nadat het verzoekschrift is
ingediend kan de ondernemingskamer, zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen
treffen, Het vijfde lid, vierde en vijfde volzin, en het zesde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
-
Van een beschikking van de ondernemingskamer
staat uitsluitend beroep in cassatie open.

Artikel 27.
Het instemmingsrecht van de OR
-
De ondernemer behoeft de instemming
van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling,
wijziging of intrekking van:
-
een regeling met betrekking
tot een pensioenverzekering, een winstdelingsregeling of een spaarregeling;
-
een arbeids- en rustijdenregeling
of een vakantieregeling;
-
een belonings- of een functiewaarderingssysteem;
-
een regeling op het gebied van
de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het reïntegratiebeleid;
-
een regeling op het gebied van
het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid;
-
een regeling op het gebied van
de personeelsopleiding;
-
een regeling op het gebied van
de personeelsbeoordeling;
-
een regeling op het gebied van
het bedrijfsmaatschappelijk werk;
-
een regeling op het gebied van
het werkoverleg;
-
een regeling op het gebied van
de behandeling van klachten;
-
een regeling omtrent het verwerken
van alsmede de bescherming van de persoonsgegevens van de in de onderneming
werkzame personen;
-
een regeling inzake voorzieningen
die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op
aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen.
een en ander voor zover betrekking
hebbende op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen.
-
De ondernemer legt het te nemen
besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Hij verstrekt daarbij
een overzicht van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen
die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame
personen zal hebben. De ondernemingsraad beslist niet dan nadat over de
betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd
in een overlegvergadering. Na het overleg deelt de ondernemingsraad zo
spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn beslissing aan
de ondernemer mee. Na de beslissing van de ondernemingsraad deelt de ondernemer
zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de ondernemingsraad mee welk besluit
hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij dat besluit zal uitvoeren.
-
De in het eerste lid bedoelde
instemming is niet vereist, voorzover de betrokken aangelegenheid voor
de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst
of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk
orgaan.
-
Heeft de ondernemer voor het
voorgenomen besluit geen instemming van de ondernemingsraad verkregen,
dan kan hij de kantonrechter toestemming vragen om het besluit te nemen.
De kantonrechter geeft slechts toestemming, indien de beslissing van de
ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen
besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische,
bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.
-
Een besluit als bedoeld in het
eerste lid, genomen zonder de instemming van de ondernemingsraad of de
toestemming van de kantonrechter, is nietig, indien de ondernemingsraad
tegenover de ondernemer schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft
gedaan. De ondernemingsraad kan slechts een beroep op de nietigheid doen
binnen een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit overeenkomstig
de laatste volzin van het tweede lid heeft meegedeeld, hetzij - bij gebreke
van deze mededeling - de ondernemingsraad is gebleken dat de ondernemer
uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
-
De ondernemingsraad kan de kantonrechter
verzoeken de ondernemer te verplichten zich te onthouden van handelingen
die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld
in het vijfde lid. De ondernemer kan de kantonrechter verzoeken te verklaren
dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op de nietigheid
als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 28.
Speciale taken van de OR
-
De ondernemingsraad bevordert
zoveel als in zijn vermogen ligt de naleving van de voor de onderneming
geldende voorschriften op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, alsmede
van de voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden en arbeids-
en rusttijden in verband met de arbeid van de in de onderneming werkzame
personen.
-
De ondernemingsraad bevordert
voorts naar vermogen het werkoverleg, alsmede het overdragen van bevoegdheden
in de onderneming, zodat de in de onderneming werkzame personen zoveel
mogelijk worden betrokken bij de regeling van de arbeid in het onderdeel
van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.
-
De ondernemingsraad waakt in
het algemeen tegen discriminatie in de onderneming en bevordert in het
bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling
van gehandicapte en allochtone werknemers in de onderneming.
-
De ondernemingsraad bevordert
naar vermogen de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen
het treffen of wijzigen van beleidsmatige, organisatorische en administratieve
voorzieningen in verband met het milieu.

Artikel 29.
Recht van benoeming
-
De ondernemingsraad heeft het
recht, al dan niet uit zijn midden, een door de ondernemer te bepalen aantal,
maar ten minste de helft, te benoemen van de bestuursleden van door de
ondernemer ten behoeve van in de onderneming werkzame personen opgerichte
instellingen, behoudens voor zover bij of krachtens de wet op andere wijze
in het bestuur van een instelling is voorzien.

Artikel 30.
Adviesrecht benoeming of ontslag van een bestuurder
-
De ondernemingsraad wordt door
de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk
door hem voorgenomen besluit to benoeming of ontslag van een bestuurder
van de onderneming.
-
Het advies moet op een zodanig
tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het
te nemen besluit.
-
De ondernemer stelt de ondernemingsraad
in kennis van de beweegredenen voor het besluit en verstrekt voorts in
het geval van een benoeming gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een
oordeel kan vormen over de betrokkene, in verband met diens toekomstige
functie in de onderneming. Artikel 25, vierde lid en
vijfde lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK
IV-B HET VERSTREKKEN VAN GEGEVENS AAN DE ONDERNEMINGSRAAD
Artikel 31.
Verplichte inlichtingen
-
De ondernemer is verplicht desgevraagd
aan de ondernemingsraad en aan de commissies van die raad tijdig alle inlichtingen
en gegevens te verstrekken die deze voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze
nodig hebben. De inlichtingen en gegevens worden desgevraagd schriftelijk
verstrekt.
-
De ondernemer is verplicht aan
de ondernemingsraad bij het begin van iedere zittingsperiode schriftelijke
gegevens te verstrekken omtrent:
-
de rechtsvorm van de ondernemer,
waarbij indien de ondernemer een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon
is, mede de statuten van die rechtspersoon moeten worden verstrekt;
-
indien de ondernemer een natuurlijke
persoon, een maatschap of een niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap
is: de naam en de woonplaats van onderscheidenlijk die persoon, de maten
of de beherende vennoten;
-
indien de ondernemer een rechtspersoon
is: de naam en de woonplaats van de commissarissen of de bestuursleden;
-
indien de ondernemer deel uitmaakt
van een aantal in een groep verbonden ondernemers: de ondernemers die deel
uitmaken van die groep, de zeggenschapsverhoudingen waardoor zij onderling
zijn verbonden, alsmede de naam en de woonplaats van degenen die ten gevolge
van de bedoelde verhoudingen feitelijke zeggenschap over de ondernemer
kunnen uitoefenen;
-
de ondernemers of de instellingen
met wie de ondernemer, anders dan uit hoofde van zeggenschapsverhoudingen
als bedoeld onder d, duurzame betrekkingen onderhoudt die van wezenlijk
belang kunnen zijn voor het voortbestaan van de onderneming, alsmede de
naam en de woonplaats van degenen die ten gevolge van zodanige betrekkingen
feitelijke zeggenschap over de ondernemer kunnen uitoefenen;
-
de organisatie van de onderneming,
de naam en de woonplaats van de bestuurders en van de belangrijkste overige
leidinggevende personen, alsmede de wijze waarop de bevoegdheden tussen
de bedoelde personen zijn verdeeld.
-
De ondernemer is verplicht de
ondernemingsraad zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van wijzigingen
die zich in de in het tweede lid bedoelde gegevens hebben voorgedaan.

Artikel 31a.
Gegevens over het financieel- en economisch beleid
-
De ondernemer verstrekt, mede
ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming,
tenminste tweemaal per jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk
algemene gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming
in het verstreken tijdvak, in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden
als bedoeld in artikel 25.
-
Indien de onderneming in stand
wordt gehouden door een stichting of vereniging als bedoeld in artikel
360, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, een coöperatie,
een onderlinge waarborgmaatschappij, een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, verstrekt de ondernemer zo
spoedig
mogelijk na de vaststelling
van zijn jaarrekening een exemplaar van de jaarrekening, het jaarverslag
in de Nederlandse taal en de daarbij te voegen overige gegevens, bedoeld
in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ter bespreking aan
de ondernemingsraad.
De mededeling die een rechtspersoon
ingevolge artikel 362, zesde lid, laatste volzin, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek moet verstrekken geschiedt gelijktijdig met die aan de algemene
vergadering van aandeelhouders.
-
Indien de financiële gegevens
van een ondernemer die deel uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers
zijn opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel
405 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verstrekt de ondernemer ter bespreking
aan de ondernemingsraad deze geconsolideerde jaarrekening, het jaarverslag
en de overige gegevens, als bedoeld in artikel 392 van dat boek, van de
rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening heeft opgesteld. Indien
de financiële gegevens van zulk een ondernemer niet in een geconsolideerde
jaarrekening zijn opgenomen, verstrekt de ondernemer in plaats hiervan
ter bespreking aan de ondernemingsraad schriftelijke gegevens waaruit de
ondernemingsraad zich een inzicht kan vormen in het gezamenlijke resultaat
van de ondernemingen van die groep ondernemers.
-
Indien de jaarrekening van de
ondernemer betrekking heeft op meer dan één onderneming,
verstrekt de ondernemer aan de ondernemingsraad tevens schriftelijke gegevens
waaruit deze zich een inzicht kan vormen in de mate waarin de onderneming
waarvoor hij is ingesteld tot het gezamenlijke resultaat van die ondernemingen
heeft bijgedragen. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing, indien
een groepsjaarrekening, als bedoeld in het derde lid, wordt verstrekt.
-
Indien de onderneming in stand
wordt gehouden door een ondernemer op wie het tweede lid van dit artikel
niet van toepassing is, verstrekt de ondernemer bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen vervangende schriftelijke gegevens ter bespreking
aan de ondernemingsraad. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
-
De ondernemer doet, mede ten
behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming,
ten minste tweemaal per jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk
mededeling omtrent zijn verwachting ten aanzien van de werkzaamheden en
de resultaten van de onderneming in het komende tijdvak, in het bijzonder
met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel
25, alsmede met betrekking tot alle investeringen in binnenland en
buitenland.
-
Indien de ondernemer met betrekking
tot de onderneming een meerjarenplan, dan wel een raming of een begroting
van inkomsten of uitgaven pleegt op te stellen, wordt dat plan, onderscheidenlijk
die raming of die begroting, dan wel een samenvatting daarvan, met een
toelichting aan de ondernemingsraad verstrekt en in de bespreking betrokken.
Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 31b.
Gegevens over sociaal beleid
-
De ondernemer verstrekt, mede
ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming,
ten minste éénmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk
algemene gegevens inzake de aantallen en de verschillende groepen van de
in de onderneming werkzame personen, alsmede inzake het door hem in het
afgelopen jaar ten aanzien van die personen gevoerde sociale beleid, in
het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen
27,
28 en 29. Deze gegevens worden
kwantitatief zodanig gespecificeerd dat daaruit blijkt welke uitwerking
de verschillende onderdelen van het sociale beleid hebben gehad voor afzonderlijke
bedrijfsonderdelen en functiegroepen.
-
De ondernemer doet daarbij tevens
mondeling of schriftelijk mededeling van zijn verwachtingen ten aanzien
van de ontwikkeling van de personeelsbezetting in het komende jaar, alsmede
van het door hem in dat jaar te voeren sociale beleid, in het bijzonder
met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen
27, 28 en 29
- De
ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van de
algemene gang van zaken van de onderneming, tevens ten minste
éénmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk
algemene gegevens inzake de op grond van een uitzendovereenkomst in de
onderneming werkzame personen en doet daarbij tevens mondeling of
schriftelijk mededeling ten aanzien van de te verwachten ontwikkelingen
wat betreft het aantal op basis van een uitzendovereenkomst werkzame
personen in hetkomende jaar.

Artikel 31c.
Mededeling over inhuren adviesbureau
-
De ondernemer doet aan de ondernemingsraad
zo spoedig mogelijk mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van
een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming, met betrekking
tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 27.

Artikel 31d.
Recht van de OR op informatie over beloningsverhoudingen
-
De ondernemer verstrekt, mede
ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming,
ten minste eenmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk informatie
over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken
per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen.
-
De ondernemer verstrekt daarbij
tevens schriftelijke informatie over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke
regelingen en afspraken met het bestuur dat de rechtspersoon vertegenwoordigt
en het totaal van de vergoedingen, dat wordt verstrekt aan het toezichthoudend
orgaan, bedoeld in artikel 24, tweede lid.
-
Ten aanzien van het eerste en
tweede lid wordt inzichtelijk gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke
regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorgaande
jaar.
-
Indien een groep, als bedoeld
in het eerste lid, het bestuur of het toezichthoudend orgaan, bedoeld in
het tweede lid, uit minder dan vijf personen bestaat, is het mogelijk om
voor de toepassing van deze leden twee of meer functies samen te voegen,
zodat een groep van ten minste vijf personen ontstaat.
-
De ondernemer is verplicht de
ondernemingsraad zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van belangrijke
wijzigingen die in deze regelingen en afspraken worden aangebracht.
-
Dit artikel is uitsluitend van
toepassing op ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen
werkzaam zijn.

Artikel 31e.
Uitzonderingen informatierecht over beloningsverhoudingen
Artikel 31d
is niet van toepassing op:
-
de besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid waarvan een van de bestuurders of commissarissen
een natuurlijk persoon is die een direct of indirect belang heeft in de
rechtspersoon overeenkomstig artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting
2001, of
-
de rechtspersoon waarop de artikelen
396 of 397 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing
zijn.

HOOFDSTUK
IV-C VERDERE BEVOEGDHEDEN VAN DE ONDERNEMINGSRAAD
Artikel 32.
Bevoegdheden volgens CAO, publiekrechtelijke arbeidsvoorwaardenovereenkomst
of ondernemingsovereenkomst
-
Bij collectieve arbeidsovereenkomst
of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk
orgaan kunnen aan de ondernemingsraad of aan de ondernemingsraden van de
bij die overeenkomst of die regeling betrokken onderneming of ondernemingen
verdere bevoegdheden dan in deze wet genoemd worden toegekend.
-
Bij schriftelijke overeenkomst
tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingsraad
meer bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend en kunnen
aanvullende voorschriften over de toepassing van het bij of krachtens deze
wet bepaalde worden gegeven. De ondernemer zendt een afschrift van de overeenkomst
aan de bedrijfscommissie.
-
Indien aan de ondernemingsraad
op grond van dit artikel een adviesrecht of instemmingsrecht is toegekend,
is het advies of de instemming van de ondernemingsraad niet vereist, voor
zover de aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld
in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld
door een publiekrechtelijk orgaan.
-
Indien in de overeenkomst aan
de ondernemingsraad een recht op advies of instemming wordt gegeven over
andere voorgenomen besluiten dan genoemd in de artikelen
25 onderscheidenlijk
27, zijn de artikelen
26 onderscheidenlijk
27, vierde tot en met zesde
lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32a.
-
Vervallen.

Artikel 32b.
-
Vervallen.

Artikel 32c.
-
Vervallen.

HOOFDSTUK V
DE CENTRALE ONDERNEMINGSRADEN EN DE GROEPSONDERNEMINGSRADEN
Artikel 33.
Instelling van de COR en de GOR
-
De ondernemer die twee of meer
ondernemingsraden heeft ingesteld stelt tevens voor de door hem in stand
gehouden ondernemingen een centrale ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk
is voor een goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen.
-
De ondernemer die meer dan twee
ondernemingsraden heeft ingesteld stelt voor een aantal van de door hem
in stand gehouden ondernemingen een groepsondernemingsraad in indien dit
bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet ten aanzien van
deze ondernemingen.
-
Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van in een groep verbonden ondernemers,
die te zamen twee of meer ondernemingsraden hebben ingesteld. De betrokken
ondernemers wijzen een tot hun groep behorende ondernemer aan, die voor
de toepassing van deze wet namens hen als ondernemer optreedt ten opzichte
van de centrale ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad.

Artikel 34.
Samenstelling van de COR en de GOR
-
Een centrale ondernemingsraad
bestaat uit leden, gekozen door de betrokken ondernemingsraden uit de leden
van elk van die raden. Voor ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen,
die dezelfde rechten en verplichtingen heeft als het lid dat hij vervangt.
-
Indien een of meer groepsondernemingsraden
zijn ingesteld, kan de centrale ondernemingsraad in zijn reglement bepalen,
dat die raad, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geheel of
ten dele zal bestaan uit leden, gekozen door de betrokken ondernemingsraden
uit de leden van die raden. Voor ieder aldus gekozen lid kan een plaatsvervanger
worden gekozen, die dezelfde rechten en verplichtingen heeft als het lid
dat hij vervangt.
-
Het aantal leden dat in elke
ondernemingsraad of groepsondernemingsraad kan worden gekozen, wordt vastgesteld
in het reglement van de centrale ondernemingsraad. Het reglement bevat
voorts voorzieningen dat de verschillende groepen van de in de betrokken
ondernemingen werkzame personen zoveel mogelijk In de centrale ondernemingsraad
vertegenwoordigd zijn. De betrokken ondernemingsraden of groepsondernemingsraden
worden over de vaststelling van de betrokken bepalingen van het reglement
gehoord.
-
Een centrale ondernemingsraad
kan in zijn reglement bepalen dat van die raad, behalve de in het derde
lid bedoelde leden, ook deel kunnen uitmaken vertegenwoordigers van ondernemingen
die door de inartikel 33 bedoelde ondernemer of ondernemers
in stand worden gehouden, maar ten aanzien waarvan geen verplichting tot
het instellen van een ondernemingsraad geldt. De centrale ondernemingsraad
regelt in zijn reglement het aantal en de wijze van verkiezing van de bedoelde
vertegenwoordigers.
-
Wanneer een lid van een centrale
ondernemingsraad of zijn verplaatsvervanger ophoudt lid te zijn van de
ondernemingsraad of van de groepsondernemingsraad die hem heeft gekozen,
eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de centrale ondernemingsraad.
Het zelfde geldt wanneer een vertegenwoordiger van een onderneming als
bedoeld in het vierde lid ophoudt in de betrokken onderneming werkzaam
te zijn. De uitsluiting, bedoeld in artikel 13, van
een ondernemingsraadslid of van een groepsondernemingsraadlid, die tevens
lid is van een centrale ondernemingsraad, heeft tot gevolg dat de betrokkene
ook van deelname van de werkzaamheden van de centrale ondernemingsraad
is uitgesloten.
-
Ten aanzien van de centrale
ondernemingsraad zijn de
artikelen 7, 8,
l0,
11,
12,
13,
14,
15,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid en 16,
17,
18,
19,
20,
21
en
22 van overeenkomstige toepassing.
-
Ten aanzien van een groepsondernemingsraad
zijn de voorgaande leden, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 35.
Bevoegdheden van de COR en de GOR
-
Ten aanzien van de centrale
ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden zijn de artikelen
22a tot en met 32, met uitzondering van de artikelen
23c en 24, derde lid, van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat door die raden uitsluitend aangelegenheden worden
behandeld die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid
van de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld en ongeacht of ten aanzien
van die aangelegenheden bevoegdheden toekomen aan de afzonderlijke ondernemingsraden.
-
Indien bevoegdheden ten aanzien
van aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid toekomen aan afzonderlijke
ondernemingsraden, gaan deze over naar de centrale ondernemingsraad, onderscheidenlijk
de groepsondernemingsraad, met dien verstande dat een groepsondernemingsraad
geen aangelegenheden behandelt die door de centrale ondernemingsraad worden
behandeld.

HOOFDSTUK
V-A De MEDEZEGGENSCHAP IN KLEINE ONDERNEMINGEN
Artikel 35a.
Vervallen

Artikel 35b.
Bevoegdheden van de Personeelsvergadering
-
De ondernemer die een onderneming
in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 maar minder dan 50 personen
werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging
is ingesteld, is verplicht de in deze onderneming werkzame personen ten
minste tweemaal per kalenderjaar in de gelegenheid te stellen gezamenlijk
met hem bijeen te komen. Hij is voorts verplicht met de in de onderneming
werkzame personen bijeen te komen, wanneer ten minste een vierde van hen
daartoe een met redenen omkleed verzoek doet.
-
In de in het eerste lid bedoelde
vergaderingen worden de aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan
de orde gesteld ten aanzien waarvan de ondernemer of in de onderneming
werkzame personen overleg wenselijk achten. Iedere in de onderneming werkzame
persoon is bevoegd omtrent deze aangelegenheden voorstellen te doen en
standpunten kenbaar te maken.
-
Indien de ondernemer de onderneming
niet zelf bestuurt, wordt het overleg voor hem gevoerd door de bestuurder
van de onderneming. De ondernemer en de bestuurder kunnen zich bij verhindering
laten vervangen door een in de onderneming werkzame persoon die bevoegd
is om namens de ondernemer overleg met de werknemers te voeren.
-
In de in het eerste lid bedoelde
vergaderingen wordt ten minste eenmaal per jaar de algemene gang van zaken
van de onderneming besproken. De ondernemer verstrekt daartoe mondeling
of schriftelijk algemene gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten
van de onderneming in het afgelopen jaar, alsmede omtrent zijn verwachtingen
dienaangaande in het komende jaar. Voor zover de ondernemer verplicht is
zijn jaarrekening en jaarverslag ter inzage van een ieder neer te leggen,
worden in de Nederlandse taal gestelde exemplaren van deze jaarstukken
ter bespreking aan de in de onderneming werkzame personen verstrekt. De
ondernemer verstrekt voorts mondeling of schriftelijk algemene gegevens
inzake het door hem ten aanzien van de in de onderneming werkzame personen
gevoerde en te voeren sociale beleid.
-
De in de onderneming werkzame
personen worden door de ondernemer, in een vergadering als bedoeld in het
eerste lid, in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door
hem voorgenomen besluit dat kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats
of tot een belangrijke verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden
of de arbeidsomstandigheden van ten minste een vierde van de in de onderneming
werkzame personen. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat
het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. De in de eerste
volzin bedoelde verplichting geldt niet, indien en voor zover de betrokken
aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk geregeld is in een
collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld door een
publiekrechtelijk orgaan.
-
De in de voorgaande leden bedoelde
verplichtingen gelden niet ten aanzien van personen die nog geen zes maanden
in de onderneming werkzaam zijn. Zij vervallen wanneer de ondernemer met
toepassing van artikel 5a een ondernemingsraad heeft
ingesteld, maar treden weer in werking wanneer de ondernemingsraad op grond
van artikel 5a, eerste lid, van rechtswege ophoudt te
bestaan of overeenkomstig het tweede lid van dat artikel is opgeheven.

Artikel
35c. Bevoegdheden van de PVT
-
De ondernemer die een onderneming
in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 personen maar minder dan
50 personen werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld,
kan een personeelsvertegenwoordiging instellen bestaande uit ten minste
drie personen die rechtstreeks gekozen zijn bij geheime schriftelijke stemming
door en uit in de onderneming werkzame personen.
-
Op verzoek van de meerderheid
van de in de onderneming werkzame personen stelt de ondernemer de in het
eerste lid bedoelde personeelsvertegenwoordiging in.
-
Indien toepassing is gegeven
aan het eerste lid, is
artikel 5a, tweede lid, derde
en vierde volzin, van overeenkomstige toepassing. De artikelen
7,
1317,
18,
eerste en tweede lid, 21,
22, eerste
lid, tweede lid, voor zover het betreft de kosten van het voeren van rechtsgedingen,
en derde lid, 22a,
27, eerste lid,
onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids- en rustijdenregeling,
onderdeel d, derde tot en met zesde lid, 31, eerste
lid, 32, 35b, vierde en vijfde lid,
behoudens de in dat lid bedoelde arbeidsomstandigheden, en 36
zijn van overeenkomstige toepassing.
-
De ondernemer legt een voorgenomen
besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel
b, voor zover het betreft een arbeids- en rustijdenregeling, en onderdeel
d, schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging voor. Hij verstrekt
daarbij een overzicht van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van
de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming
werkzame personen zal hebben. De personeelsvertegenwoordiging beslist
niet dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal
met de ondernemer overleg is gepleegd. Na het overleg deelt de personeelsvertegenwoordiging
zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn beslissing
aan de ondernemer mee. Na de beslissing van de personeelsvertegenwoordiging
deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging
mee welk besluit hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij dat
besluit zal uitvoeren.
-
De personeelsvertegenwoordiging
kan met toestemming van de ondernemer commissies instellen of deskundigen
uitnodigen. Ten aanzien van het uitnodigen van deskundigen is toestemming
niet vereist, wanneer de deskundige geen kosten in rekening brengt of wanneer
de kosten door de personeelsvertegenwoordiging bestreden worden uit een
bedrag als bedoeld in artikel 22, derde lid. Heeft
de ondernemer toestemming gegeven voor het raadplegen van een deskundige,
dan komen de kosten daarvan te zijnen laste.
-
Inlichtingen en gegevens bestemd
voor de personeelsvertegenwoordiging, die volgens artikel
31, eerste lid, schriftelijk moeten worden verstrekt, mogen door de
ondernemer ook mondeling worden verstrekt.

Artikel
35d. Vrijwillige PVT in de 10min onderneming
-
De ondernemer die een onderneming
in stand houdt waarin in de regel minder dan 10 personen werkzaam zijn
en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging,
als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, instellen.
-
De artikelen
5a, tweede lid, derde en vierde volzin, 7, 13,
17,
18
eerste en tweede lid, 21,
22, eerste
lid, tweede lid, voor zover het betreft de kosten van het voeren van rechtsgedingen,
en derde lid, 22a,
27, eerste lid,
onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids- en rustijdenregeling,
onderdeel d, derde tot en met zesde lid, 31, eerste
lid, 32 en 36 zijn van overeenkomstige
toepassing.
-
Artikel 35c,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, en het vijfde en zesde lid
zijn van toepassing.

HOOFDSTUK VI
DE ALGEMENE GESCHILLENREGELING
Artikel 36.
De algemene geschillenregeling
-
Iedere belanghebbende kan de
kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer of de ondernemingsraad
gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald
omtrent het instellen of in stand houden van een ondernemingsraad, het
vaststellen van een voorlopig of een definitief reglement van de ondernemingsraad,
de kandidaatstelling voor en de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad,
alsmede omtrent het bekend maken van agenda's en verslagen van vergaderingen,
een en ander voor zover dit van de ondernemer of de ondernemingsraad afhangt.
-
De ondernemingsraad en de ondernemer
kunnen de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer, onderscheidenlijk
de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen overigens bij of
krachtens deze wet is bepaald, een en ander voor zover dit van de ondernemer
onderscheidenlijk de ondernemingsraad afhangt.
-
Een verzoek aan de kantonrechter
op grond van deze wet is niet ontvankelijk indien de verzoeker niet vooraf
schriftelijk de bemiddeling van de bedrijfscommissie heeft gevraagd. De
bedrijfscommissie stelt de wederpartij in de gelegenheid omtrent het verzoek
te worden gehoord. De bedrijfscommissie tracht een minnelijke schikking
tussen partijen tot stand te brengen. Indien geen minnelijke schikking
wordt bereikt, brengt de bedrijfscommissie binnen twee maanden nadat haar
bemiddeling is gevraagd, aan partijen schriftelijk verslag van haar bevindingen
uit met een advies omtrent de oplossing van het geschil. De bedrijfscommissie
kan de termijn voor het uitbrengen van haar advies met instemming van beide
partijen voor ten hoogste twee maanden verlengen.
-
Het verzoekschrift aan de kantonrechter
wordt ingediend binnen dertig dagen nadat de bedrijfscommissie haar advies
aan partijen heeft uitgebracht, doch uiterlijk binnen dertig dagen na het
verstrijken van de in het derde lid genoemde termijn. Het verslag van bevindingen
en het advies van de bedrijfscommissie worden bij het verzoekschrift overgelegd.
-
Een verzoekschrift aan de kantonrechter
met betrekking tot de naleving van artikel 25 ten aanzien
van een besluit als in dat artikel bedoeld, wordt niet ontvankelijk verklaard,
indien blijkt dat de ondernemingsraad voor of na de indiening van het verzoekschrift
tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de ondernemingskamer van het
gerechtshof Amsterdam.
-
Een verzoek aan de kantonrechter
op grond van artikel 27, vierde en zesde lid is niet
ontvankelijk indien met betrekking tot dezelfde aangelegenheid een eis
is gesteld als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
-
De kantonrechter kan in zijn
uitspraak aan de ondernemer, onderscheidenlijk de ondernemingsraad de verplichting
opleggen om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Het is de
ondernemer verboden een zodanige verplichting niet na te komen. Wanneer
de ondernemingsraad een zodanige verplichting niet nakomt, kan de kantonrechter
de ondernemingsraad ontbinden, onder oplegging van de verplichting aan
die raad tot het doen verkiezen van een nieuwe ondernemingsraad. Blijft
de ondernemingsraad in gebreke, dan kan de kantonrechter de ondernemer
machtigen een nieuwe ondernemingsraad te doen verkiezen.
-
De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van hetgeen bij
of krachtens deze wet is bepaald met betrekking tot een centrale ondernemingsraad
en een groepsondernemingsraad.

Artikel 36a.
De algemene geschillenregeling voor de Personeelsvergadering
-
Iedere in de onderneming werkzame
persoon, met uitzondering van een persoon als bedoeld in artikel
35b, zesde lid, alsmede een vereniging van werknemers, die één
of meer in de onderneming werkzame personen onder haar leden telt, die
krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers
te behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak
werkzaam is en voorts ten minste twee jaar in het bezit is van volledige
rechtsbevoegdheid, kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer
gevolg dient te geven aan artikel 35b.

HOOFDSTUK VII
DE BEDRIJFSCOMMISSIES
Artikel 37.
Taken en samenstelling van de Bedrijfscommissies
-
Voor groepen van ondernemingen
worden door de Raad, ter behandeling van aangelegenheden betreffende de
ondernemingsraden, de centrale ondernemingsraden, de groepsondernemingsraden
van deze ondernemingen, de personeelsvertegenwoordiging en de vergadering
als bedoeld in artikel 35b, commissies ingesteld, bedrijfscommissies
genaamd.
-
Een bedrijfscommissie bestaat
uit een door de Raad na overleg met de in artikel 38
bedoelde organisaties van ondernemers en van werknemers te bepalen even
aantal leden, ten minste zes bedragende, en een gelijk aantal plaatsvervangende
leden.

Artikel 38.
Benoeming van leden van de Bedrijfscommissies
-
De leden en de plaatsvervangende
leden van een bedrijfscommissie worden voor de helft benoemd door de door
de Raad daartoe aangewezen representatieve organisatie of organisaties
van ondernemers en voor de helft door de door de Raad daartoe aangewezen
representatieve organisatie of organisaties van werknemers.
-
De Raad bepaalt het aantal leden
en plaatsvervangende leden dat elke aangewezen organisatie kan benoemen.

Artikel 39.
Werkwijze van de Bedrijfscommissies
-
De Raad stelt bij verordening
nadere regelen omtrent de samenstelling en de werkwijze van de bedrijfscommissies.
Daarbij wordt aan deze commissies de bevoegdheid verleend commissies, al
dan niet uit haar midden, in te stellen, die indien en voor zover zulks
door een bedrijfscommissie is bepaald, de bevoegdheden van die bedrijfscommissie
geheel of gedeeltelijk, al dan niet voorwaardelijk, uitoefenen.
-
De Raad stelt voorts regelen
omtrent het voorzitterschap van de bedrijfscommissies. Daarbij wordt aan
deze commissies de bevoegdheid toegekend, een voorzitter buiten de leden
der commissie te kiezen, al dan niet met stemrecht.

Artikel 40.
Jaarverslag van de Bedrijfscommissies
-
Iedere bedrijfscommissie brengt
jaarlijks aan Onze Minister en aan de Raad verslag uit van haar werkzaamheden
in het afgelopen kalenderjaar.
-
Onze Minister kan regelen stellen
ten aanzien van de verslaggeving.

Artikel 41.
Kosten Bedrijfscommissies
-
De kosten van een bedrijfscommissie
worden, voor zover daarin niet op andere wijze wordt voorzien, door de
in artikel 38 bedoelde organisaties van ondernemers
en werknemers gedragen, naar evenredigheid van het aantal leden dat zij
benoemen.
-
Wanneer een organisatie in gebreke
blijft binnen de termijn, door de bedrijfscommissie gesteld, haar bijdrage
in de kosten van de bedrijfscommissie te voldoen, kan de Raad de aanwijzing
van die organisatie intrekken, onverminderd de aansprakelijkheid van de
organisatie tot het betalen van haar aandeel in de reeds gemaakte kosten.
Door de intrekking vervalt het lidmaatschap van de bedrijfscommissie van
de door die organisatie benoemde leden en plaatsvervangende leden, te rekenen
van het tijdstip waarop het besluit van de Raad bij de bedrijfscommissie
inkomt.

Artikel 42.
Geheimhoudingsplicht
-
Ten aanzien van de voorzitters,
de leden en de plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissies, alsmede
ten aanzien van de personen die met het secretariaat van een bedrijfscommissie
zijn belast, is artikel 20, eerste en zesde lid, van
overeenkomstige toepassing.

Artikel 43.
Door SER aangewezen bedrijfschappen
-
Indien voor een groep van ondernemingen
een hoofdbedrijfschap of een bedrijfschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie
(Stb. 1950, K 22) bestaat, kan de Raad het bestuur van dat hoofdbedrijfschap
of bedrijfschap aanwijzen als bedrijfscommissie in de zin van deze wet.
In dat geval zijn de artikelen 37, 38
en 41 niet van toepassing en evenmin het bepaalde bij
of krachtens artikel 39 voor zover het betreft de samenstelling
en het voorzitterschap van de bedrijfscommissie.

Artikel 44.
-
Vervallen.

Artikel 45.
-
Vervallen.

Artikel 46.
De SER bepaalt welke bedrijfscommissie bevoegd is
-
Indien voor de behandeling van
aangelegenheden betreffende een ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad,
een groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een vergadering
als bedoeld in artikel 35b meer dan één
bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, wijst de Raad de commissie aan die
voor de behandeling van de betrokken aangelegenheden als de krachtens deze
wet bevoegde commissie zal optreden.
-
Indien een ondernemer of een
aantal in een groep verbonden ondernemers meerdere ondernemingen in stand
houdt waarvoor meer dan één bedrijfscommissie bevoegd zou
zijn, kan de Raad voor die ondernemingen een afzonderlijke bedrijfscommissie
instellen dan wel de commissie aanwijzen die voor de behandeling van de
aangelegenheden betreffende de ondernemingsraden, personeelsvertegenwoordigingen
en vergaderingen als bedoeld in artikel 35b van deze
ondernemingen als de krachtens deze wet bevoegde commissie optreedt.

HOOFDSTUK
VII-A HEFFINGEN TER BEVORDERING VAN DE SCHOLING EN VORMING VAN ONDERNEMINGSRAADLEDEN
Artikel 46a.
Verplichte heffing
-
De ondernemer op wie op grond
van deze wet, een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden
vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan op 1 januari van het betrokken
kalenderjaar de verplichting rust een ondernemingsraad in te stellen alsmede
de ondernemer die op 1 januari van het betrokken kalenderjaar een ondernemingsraad
heeft met toepassing van artikel 5a, tweede lid, is
een heffing verschuldigd ter bevordering van de scholing en vorming van
ondernemingsraadleden.
-
De heffing bedraagt een percentage
van het bij de betrokken ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar genoten
loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van
de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen
b tot en met h, van die wet. Voor de toepassing van dit lid wordt onder
ondernemer verstaan: de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de
loonbelasting 1964.
-
Het percentage van de heffing
wordt jaarlijks door de Raad vastgesteld bij verordening; het kan op nihil
worden vastgesteld.
-
De heffing wordt namens de Raad
door de rijksbelastingdienst bij wege van aanslag geheven en ingevorderd,
met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing en de invordering
van de inkomstenbelasting geldende regels.
-
In een verordening als bedoeld
in het derde lid wordt bepaald op welke wijze de afdracht van de heffing
door de rijksbelastingdienst aan de Raad geschiedt.
-
De Raad kan bij verordening
nadere regels stellen omtrent de toepassing van dit artikel.
-
Een verordening als bedoeld
in dit artikel wordt, voorzover deze betrekking heeft op ondernemingen
waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke
aanstelling arbeid wordt verricht, niet vastgesteld dan na overleg met
de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales
van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
-
Een verordening als bedoeld
in dit artikel behoeft de goedkeuring van Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën.

Artikel 46b.
Voorwaarden voor subsidiëring van scholing en vorming
-
De Raad kan, onder door hem
te stellen voorwaarden, uit de opbrengst van de in artikel
46a bedoelde heffingen geldelijke bijdragen verstrekken aan rechtspersonen
die zich ten doel stellen de werkzaamheden van andere rechtspersonen op
het gebied van de scholing en vorming van ondernemingsraadleden te begeleiden
en te ondersteunen.
-
Als voorwaarden, bedoeld in
het eerste lid, worden in ieder geval gesteld:
-
dat de betrokken rechtspersoon
jaarlijks een begroting en een rekening van de met zijn in het eerste lid
bedoelde taak verband houdende inkomsten en uitgaven opstelt en ter goedkeuring
aan de Raad voorlegt;
-
dat de onder a bedoelde rekening
door of vanwege de Raad kan worden gecontroleerd;
-
dat de betrokken rechtspersoon
erop toeziet, dat de werkzaamheden op het gebied van de scholing en vorming
van ondernemingsraadleden, waarvoor door hem geldelijke ondersteuning wordt
verleend, wat de kwaliteit betreft ten minste voldoen aan de voorwaarden
die gelden voor subsidiëring van vormings- en ontwikkelingswerk voor
volwassenen door het Rijk, en dat deze werkzaamheden voorts passen in de
algemene opzet van het vormings- en ontwikkelingswerk voor volwassenen
in Nederland, als aangegeven door de rijksoverheid.

Artikel 46c.
Begroting en verantwoording
-
De door de Raad ter bevordering
van de scholing en vorming van ondernemingsraadleden geraamde inkomsten
en uitgaven worden door hem jaarlijks als een afzonderlijke dienst op de
begroting gebracht.
-
De betrokken uitgaven, alsmede
de middelen die tot dekking daarvan hebben gediend, worden jaarlijks afzonderlijk
op de rekening van inkomsten en uitgaven van de Raad verantwoord.

HOOFDSTUK
VII-B BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ONDERNEMINGSRADEN BIJ DE OVERHEID
Artikel 46d.
Bijzondere bepalingen voor OR'en bij de overheid
Ten aanzien van een onderneming,
waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke
aanstelling arbeid wordt verricht, gelden de volgende bijzondere bepalingen:
-
Voor de toepassing van deze
wet wordt als bestuurder in de zin van deze wet niet aangemerkt:
-
bij een ministerie: de minister
of een staatssecretaris;
-
bij een provincie: de commissaris
van de Koning, een lid van gedeputeerde staten of een lid van provinciale
staten;
-
bij een gemeente: de burgemeester,
een lid van het college van burgemeester en wethouders of een lid van de
gemeenteraad;
-
bij een waterschap: de voorzitter,
een lid van het dagelijkse bestuur van een waterschap of een lid van het
algemeen bestuur;
-
bij de Kamers der Staten-Generaal:
de voorzitter van de Kamer of een lid;
-
bij de Raad van State: de vice-president
of een staatsraad;
-
bij de Algemene Rekenkamer:
de president of een lid van de Algemene Rekenkamer;
-
bij de Nationale ombudsman:
de Nationale ombudsman of een substituut-ombudsman.
-
Voor toepassing van artikel
23, derde lid, zijn onder de aangelegenheden de onderneming betreffende
niet begrepen de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke
lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering
van die taken, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor
de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.
-
Voor de toepassing van onderdeel
b bij de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en
het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zijn onder de aangelegenheden
de onderneming betreffende tevens niet begrepen het beleid ten aanzien
van de uitvoering van de rechterlijke taken als bedoeld in artikel 23,
tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, behoudens
voorzover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de
in de onderneming werkzame personen.
-
De in de artikelen 5, 8,
tweede en derde lid, 37,
38,
39
en 41, tweede lid, van deze Wet aan de Raad toegekende
bevoegdheden worden uitgeoefend door de Minister van Binnenlandse Zaken.
-
Voor de toepassing van artikel
38, eerste lid, kunnen behalve een representatieve organisatie of organisaties
van ondernemers ook een of meerdere ministers aangewezen worden.
-
De verordenende bevoegdheid
van de Raad strekt zicht niet uit tot ondernemingen waarin uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid
wordt verricht.
-
Indien op grond van het bepaalde
in onderdeel d de Minister van Binnenlandse Zaken een bedrijfscommissie
heeft ingesteld, dient deze onverminderd het bepaalde in artikel
40, eerste lid, aan de Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit
te brengen. De Minister van Binnenlandse Zaken doet dit verslag toekomen
aan de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales
van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
-
Voor het behandelen en beslissen
van verzoekschriften als bedoeld in de artikelen 27
en 36, ter zake van een rechtbank, is bevoegd de kantonrechter
werkzaam bij de rechtbank, die binnen hetzelfde ressort als eerste wordt
genoemd in de Wet op de rechterlijk indeling. Indien de rechtbank waarop
het verzoekschhrift betrekking heeft als eerste wordt genoemd in de Wet
op de rechterlijke indeling, is bevoegd de kantonrechter werkzaam bij de
rechtbank, die binnen hetzelfde ressort als tweede wordt genoemd in de
Wet op de rechterlijke indeling.
Wetsvoorstel 6 december 2011:
-
Voor het behandelen en beslissen
van verzoekschriften als bedoeld in de artikelen 27
en 36, ter zake van een rechtbank, is bevoegd de kantonrechter
werkzaam bij de volgende rechtbank:
1°.1°. terzake van de rechtbank Amsterdam: de rechtbank Noord-Holland; 2°. terzake van de rechtbank Den Haag: de rechtbank Rotterdam; 3°. terzake van de rechtbank Limburg: de rechtbank Oost-Brabant; 4°. terzake van de rechtbank Midden-Nederland: de rechtbank Noord-Nederland 5°. terzake van de rechtbank Noord-Holland: de rechtbank Amsterdam; 6°. terzake van de rechtbank Noord-Nederland: de rechtbank Oost-Nederland; 7°. terzake van de rechtbank Oost-Brabant: de rechtbank Zeeland-West-Brabant; 8°. terzake van de rechtbank Oost-Nederland: de rechtbank Midden-Nederland; 9°. terzake van de rechtbank Rotterdam: de rechtbank Den Haag; 10°. terzake van de rechtbank Zeeland-West-Brabant: de rechtbank Limburg. - Een beroep als bedoeld in artikel
26, eerste lid, ter zake van het gerechtshof Amsterdam, wordt ingesteld
bij het gerechtshof Den Haag.

Artikel 46e.
Rol werkgevers- en werknemersorganisaties
-
De in artikel
46d aan de Minister van Binnenlandse Zaken toegekende bevoegdheden
worden uitgeoefend na overleg met de betrokken werkgevers of verenigingen
van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel toegelaten tot de
Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, genoemd
in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
-
In het in het eerste lid bedoelde
overleg hebben de centrales van overheidspersoneel evenveel stemmen aIs
de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers.
-
Voor een besluit als bedoeld
in de artikelen 8, tweede en derde lid, 39
en 46d, onderdeel f, van deze Wet behoeft Onze Minister
van Binnenlandse Zaken de instemming van twee derde van de deelnemers aan
het in het eerste lid bedoelde overleg. Voor een besluit als bedoeld in
de artikelen 5,
37,
38
en 41, tweede lid, van deze Wet behoeft Onze Minister
van Binnenlandse Zaken de instemming van de meerderheid van de deelnemers
aan het in het eerste lid bedoelde overleg.

HOOFDSTUK VIII
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 47.
Algemene maatregel van bestuur
-
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter bevordering van een
goede uitvoering van deze wet.

Artikel 48.
Voorlopig reglement
-
De ondernemer op wie de verplichting
tot het instellen van een ondernemingsraad rust, treft bij voorlopig reglement,
voor zover nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de ondernemingsraad
behoren, totdat de ondernemingsraad zelf die bevoegdheid uitoefent. De
vereniging of verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel
9, tweede lid, onder a, worden over het voorlopige reglement gehoord.
-
Ten aanzien van het voorlopige
reglement is artikel 8, eerste lid, eerste en tweede
volzin en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, De ondernemer zendt
onverwijld een exemplaar van het voorlopige reglement aan de bedrijfscommissie.
Het voorlopige reglement vervalt op het tijdstip waarop de ondernemingsraad
het in artikel 8 bedoelde reglement heeft vastgesteld.
-
De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ondernemer of de ondernemers
die een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben
ingesteld.

Artikel
49. Inlichtingen aan de Arbeidsinspectie en jaarverslag
-
De ondernemer op wie de verplichting
tot het instellen van een of meer ondernemingsraden rust, alsmede de betrokken
ondernemingsraden, verstrekken desgevraagd aan een daartoe door Onze Minister
aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar inlichtingen omtrent het instellen
en het functioneren van deze ondernemingsraden.
-
De betrokken ondernemingsraden
zenden hun jaarverslag aan de betrokken bedrijfscommissie.
-
De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ondernemer of de ondernemers
die een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben
ingesteld, alsmede ten aanzien van die raden.

Artikel
49a.
Vervallen.

Artikel
50.
Vervallen.

Artikel
51. Bestaande Bedrijfscommissies
De bedrijfscommissies, door
de Raad ingesteld krachtens de Wet op de Ondernemingsraden (Stb. 1950,
K 174), worden geacht door de Raad te zijn ingesteld krachtens deze wet.

Artikel
52.
Vervallen

Artikel
53. Uitgezonderde onderwijsinstellingen
-
Deze wet is niet van toepassing
op de in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde
hogescholen, Open Universiteit, openbare academische ziekenhuizen, Koninklijke
Nederlandse Academie van Wetenschappen en Koninklijke Bibliotheek noch
op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. De wet stelt
regels omtrent het besluit van het bestuur van een op grond van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde universiteit
of deze wet met uitzondering van Hoofdstuk VII B al dan niet van toepassing
is op die universiteit.
-
Bij algemene maatregel van bestuur
kan op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
worden bepaald dat de in de eerste volzin van het eerste lid opgenomen
uitzondering niet geldt voor één of meer van de bedoelde
instellingen. Daarbij kan tevens worden bepaald dat Hoofdstuk
VII-B van deze wet niet van toepassing is.
- Hoofdstuk
VII-B is niet van toepassing op openbare instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs
-
Met ingang van het tijdstip
waarop de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voor
de Open universiteit, de openbare academische ziekenhuizen en de in het
eerste lid genoemde onderzoeksorganisaties in werking treedt, vervallen
de artikelen 11.19. 11.20. 11.21 en 11.22, onderscheidenlijk artikel 12.14
en artikel 13.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
en artikel 14, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek alsmede de aanduiding I voor het eerste lid
van dat artikel.

Artikel
53a. Ministerie van Defensie
Deze wet is niet van toepassing
op het Ministerie van Defensie en de daaronder ressorterende diensten,
bedrijven of instellingen.

Artikel
53b. Uitgezonderde ambtenaren
Deze wet is niet van toepassing
op de rechterlijke ambtenaren werkzaam bij de Hoge Raad.

Artikel
53c. Uitgezonderde functionarissen
Deze wet niet is niet van
toepassing op:
-
de leden van de Raad van State;
-
de leden van de Algemene Rekenkamer;
-
de Nationale ombudsman en de
substituut-ombudsmannen.

Artikel
54. Titel van de wet
-
Deze wet kan worden aangehaald
als Wet op de Ondernemingsraden
-
Zij treedt in werking op een
door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
|